Een handvol koren (2)

Geliefde lezer, ( ) een handvol koren.
Dat mag bijzonder wel gezegd worden van de middelen, waardoor de Heere Zijn genade krachtig verheerlijkt in de harten van zondaren tot eeuwige zaligheid.
’t Evangelie der genade Gods in Christus toch is zulk ’n handvol koren, dat uitwendig wel gering is in de ogen en in de achting van de natuurlijke mens, ’t Woord des Kruises moge dan degenen die verloren gaan ’n dwaasheid zijn, doch het is ’n kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de Jood en dan de Griek.
’t Behaagt de Heere door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven zullen.
En hoe weinig en gering dit ook zij, ’t is als ’n handvol koren, rein en zuiver.
De dichter van Psalm 12 zingt ervan.

Des Heeren Woord is rein en al Zijn spreken
is zuiver als ’t allerreinst metaal.
Nooit is het schuim van ’t zilver zo geweken
Schoon in den kroes gelouterd, zevenmaal.

En zoals nu het koren met kracht uit de aarde spruit als ’t gezaaid is (niet als ’t in de schuur bewaard wordt), zo ook ’t Woord des Heeren, als ’t gepredikt, gelezen en gehoord wordt.
’t Is als de regen en de sneeuw die van de Hemel nederdalen en derwaarts niet wederkeren, maar de aarde doorvochtigen en maken dat zij voortbrenge en uitspruite, zaad geve den zaaier, brood den eter, alzo zal des Heeren Woord zijn; het zal niet ledig tot Hem wederkeren.
’t Brengt overvloedige vrucht voort, 30-60-100-voudige vrucht bijzonder onder de heidenen, die zullen komen en toevloeien tot ’s Heeren goed.
En daarin zal de Heere verheerlijkt worden, waar in de veelheid der onderdanen des Konings heerlijkheid bestaat, terwijl het gebrek van volk eens vorsten verstoring is.
Die heerlijkheid van Koning Jezus nu voorzegt David in de tekst.
Zal het nu goed zijn lezers, dan mag deze handvol koren in ons persoonlijk leven niet ontbreken.
Ons natuurlijke hart is hoog, dor en dood, geheel onvruchtbaar.
Daarvan is nimmer enige vrucht te verwachten als enkel vruchten des doods.
Uit u geen vrucht in der eeuwigheid.
Dat is alleen mogelijk door ’n wonder Gods, door de krachtdadige en onwederstandelijke arbeid van de Heilige Geest, die de akker van ons hart maakt tot ’n weltoebereide aarde, opdat het levend zaad van Gods Woord daarin vallen zal en nederwaarts wortelen zal schieten om ook opwaarts vruchten voort te brengen, des geloofs en der bekering waardig.
Dat is bij de mens onmogelijk doch mogelijk bij God.
Ziet het in de geschiedenis van Gods Kerk.
Gering was haar begin, doch hoe velen zijn in de loop der eeuwen reeds toegebracht tot de stal der schapen.
’t Evangelie der genade van Christus heeft rijke vrucht gedragen (Col. 1:6) en zal vrucht blijven dragen, tot aan de voleinding der eeuwen toe, totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan en alzo geheel Israël zalig geworden zal zijn.
Niemand verachte dan de dag der kleine dingen.
Een handvol koren. Dat is ook de prediking onder ons geliefden.
Gering, vol gebrek. Dit is ook de uitgave van ons blad. Doch geve de Heere, dat het koren zij, rein, zuiver, hoe gering en gebrekvol dan ook.
Een klein begin, dat uit God is, zal naar Zijn belofte en onwankelbare trouw in Christus Jezus een heerlijk einde geven.
Uw beginsel, zo lezen we in Job 8:7, zal wel gering zijn, maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
Ook de hoogste ceder op de Libanon is begonnen als ’n geringe spruit.
’t Mosterdzaadje is ’t minste van alle zaden die op de aarde zijn, doch wordt het meeste van alle moeskruiden en maakt grote takken, alzo dat de vogels des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
Welnu, hiermede heeft Christus Zelf ’t Koninkrijk Gods vergeleken.
Voorwaar, een handvol koren, maar de vrucht daarvan zul ruisen als de Libanon.
Dat ruisen van de Libanon is iets geweldigs, iets indrukwekkends, het stemt de mens die ’t hoort tot stille bewondering als de wind de machtige cederwouden op ’t Libanongebergte doet ruisen.
Nu, zo zal het koren en de most des Evangelies der goddelijke genade de jongelingen en jonkvrouwen sprekende maken tot verheerlijking des Heeren, in de lofverheffingen Godes, in de roem in vrije gunst, die eeuwig God bewoog.
Geve dan de Heere, terwijl er nog koren gezaaid wordt, dat ’t in ons aller leven vrucht mag dragen, tot heerlijkheid Gods en tot zaligheid onzer ziel.
Al is ’t beginsel klein en gering in ons leven.
Dat we ’t niet verachten. De Heere zal Zijn hand tot de kleinen wenden, die uit de nood van het hart tot de Heere roepen in het verborgene, die hun stille tranen uit de innige droefheid over de zonden en het gemis van de Heere in het eenzame uitstorten.
’t Is als een handvol koren. Maar de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon.
Dat heeft de Heere beloofd en Hij is ’n Waarmaker van Zijn Woord, hoe onmogelijk ’t van onze kant ook zij om ooit vrucht te dragen.
De dichter zingt zo veelbetekenend: “Het woeste veld vangt zelfs die droppen. Zijn weide blijft niet droog”.
Dat kleine, dat geringe werk, waarin toch de wind des Geestes is, door de wereld en de godsdienst wel veracht, door Gods kinderen zelf menigmaal verdacht, zal toch uitgroeien tot de volkomenheid, waartoe al Gods volk na dit leven geraken zal.
En dan, ja dan zal volmaakt de roem van vrije genade eeuwig ruisen als de cederen op de Libanon.

Dan zal na zoveel gunstbewijzen,
’t gezegend heidendom.
’t Geluk van dezen Koning prijzen,
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
bekleed met mogend’heen;
De Heer, in Israël geprezen,
doet wond’ren, Hij alleen.

Wijlen ds. G.J. van den Noort (1928-1976)