En de Heere sloeg onder die lieden van Beth-Sémes, omdat zij in de ark des HEEREN gezien hadden.

1 Samuël 6:19a

De ark, als heilig teken van de inwoning Gods onder Zijn volk, werd door de bepalingen des Heeren altijd aan het volk voorgesteld als een zo bijzonder voorwerp, waarover de heiligheid des Heeren was uitgestrekt, zodat een ieder die in strijd met de door de Heere gegeven bevelen die ark onheilig aanraken zou of zou trachten daarin te blikken, gewisselijk een kind des doods zou zijn. De zonen van Eli hebben de ark des Heeren in het midden van de strijd gebracht. Waarom? Omdat zij meenden daardoor de krijgskansen te zullen doen keren. Het geeft blijk van de dwaasheid van deze priesterzonen, die daarmede openbaarden, dat zij wel de instellingen Gods wilden eren, maar niet de God der instellingen. Hun poging liep op een mislukking uit, want Israël werd verslagen voor het aangezicht der Filistijnen. Schrikkelijk is de oneer, die de Heere is aangedaan. De Filistijnen hebben gemeend, dat door dit feit duidelijk gebleken is dat de god der Filistijnen heerlijker, machtiger en grootser was dan de God van Israël. Daarom heeft God er blijk van gegeven, dat Hij God was en is en blijft, en is de god der Filistijnen van zijn voetstuk gevallen. Na al de doorleefde moeite besluiten de vorsten der Filistijnen om de ark naar Israël terug te zenden. Er was grote blijdschap onder de inwoners van Beth-Sémes toen de ark wederkeerde. Toch leert ons het vervolg van dit hoofdstuk, dat deze blijdschap niet de rechte geestelijke blijdschap was, die voortkomt uit een door de werking des Geestes aan zijn onwaardigheid ontdekt gemoed. Deze blijdschap had waarschijnlijk geen andere reden, dan dat men uit de wederkeer der ark een uiteindelijke nederlaag der Filistijnen meende te kunnen afleiden. Uit de tekst leren wij toch, dat op deze dag een grote slag geslagen is onder de inwoners van Beth-Sémes, omdat zij in de ark hebben geblikt, in strijd met het door God gegeven bevel. Maar is dan de zonde van de mannen van Beth-Sémes zo groot geweest? Ja, mijn waarde lezer, zo groot is deze zonde geweest. En dit Schriftwoord is tot onze lering opgetekend. Wat is dan de aard van de zonde van deze mensen geweest? De ark was een voorwerp, dat tot het heiligdom Gods behoorde en naar Gods bevel een plaats in het heilige der heilige had. Die ark stelde schaduwachtig de troon des Heeren voor; daarom rustte de wolkkolom ook op de ark en wel in het bijzonder op dat, waarmede die ark was afgesloten, namelijk het verzoendeksel. In die ark bevond zich onder andere de wet des Heeren. Wat leert dat ons? De troon Gods, die op gerechtigheid gegrond is, is een troon van genade door het verzoendeksel, dat op de ark des Verbonds gelegd is. Wie nu dat verzoendeksel van de ark des Verbonds afneemt en in die ark blikken wil, zal verteerd worden door de hitte van de gramschap Gods, welke in Zijn wet ons geopenbaard wordt. Daarom zult ge dan ook dadelijk verstaan, waarom zulk een zware slag onder de mannen van Beth-Sémes geslagen is op de dag, dat zij in de ark blikten, want daartoe hebben zij het verzoendeksel van die ark moeten wegnemen. Nu zult ge ook verstaan, lezer, waarom deze geschiedenis voor ons nog zo betekenisvol is. Zij naderden tot God buiten Christus en dan is God een verterend vuur en een eeuwige gloed. Ja, zult gij zeggen, maar in onze tijd kunnen wij toch niet meer in de ark blikken? Gewis waar, maar de eeuwige waarheden, ook deze, gelden tot op deze dag. En tot op deze dag zijn er zovelen die in de ark des Heeren willen blikken, maar de mens heeft buiten Christus geen bestaansrecht voor God. Hebt u, lezer, dat al persoonlijk geleerd? Dat u niet anders waard bent dan de eeuwige toorn Gods? De ark was voor Israël de prediking van genade door recht. Daarom is de ark nog immer in het midden der gemeente, waar het Evangelie van Gods genade gepredikt wordt in een weg van recht. Lezer, wat doet gij met het Evangelie? Want gelijk dat Evangelie, in de ark gepredikt, de mannen van Beth-Sémes een oorzaak van de dood geworden is, zo is voor velen in onze dagen dat Evangelie een reuke des doods ten dode. Hoe blikt de nieuwtestamentische hoorder van het Woord Gods op een onheilige wijze in de ark? Wel, bijvoorbeeld wanneer men op grond van eigen waardigheid en verdienstelijkheid tot God nadert. De remonstrant is in dat opzicht niet ver te zoeken. De één komt met zijn nette levenswandel, een ander met tranen, weer een ander met zijn vermeende ervaringen van Gods genade. Maar het kan ook door op een onheilige wijze zich Christus toe te eigenen, waarvoor nooit plaats is gemaakt in het hart. Daarmee zult u bedrogen uitkomen. Wanneer een ark zonder verzoendeksel in de hedendaagse prediking wordt rondgedragen, dan heeft men geen boodschap van genade meer voor een ondergaande wereld. Lezer, nog laat God deze ark in ons midden stellen. Nog wordt dood en leven naar Gods eeuwige raad in ons midden gepredikt. Hoe is die waarheid voor u persoonlijk? Doet u winst daarmede? Zijn er misschien lezers, die voor God niet bestaan kunnen en die voor Zijn Woord beven? Wel, voor dezulken is er in de ark een boodschap van ontferming. Dezulken willen niet inblikken in een ark zonder verzoendeksel, zij zijn eerlijk gemaakt. Zij mogen zien, net als Obed-Edom op dat gouden deksel, waardoor een vloekende wet in de ark zweeg: Op Christus, Die de wet Zijns Vaders droeg in het midden Zijns ingewands, Die de wet van zijn vloek ontwapende en Die een ruimte van genade, ontferming en zaligheid ontsloot.

 

Wijlen ds. A. Vergunst