En ik zal ulieden brengen in dat land

En ik zal ulieden brengen in dat land

Exodus 6:7a

Gods kind is op reis, op reis naar het land van Immanuël.
Het is hier immers het land der ruste niet.
Het moge hier dan nog zo goed zijn, elke keer wordt Gods kind eraan herinnerd dat het hier geen blijvende stad heeft.
Gods kind is dus op reis! Ach wat zeg ik, we zijn allen op reis, op reis naar een allesbeslissende eeuwigheid.
Reeds van het uur van onze geboorte is het ons verkondigd dat de mens naar zijn eeuwig huis gaat en dat de rouwklagers door de straten heengaan.
Nu is het echter de vraag, hoe zijn we op reis?
Voor eigen rekening of voor rekening van een ander?
Van nature reizen we net als Jona. We zijn op de vlucht van God af. Ja, waar naartoe?
Naar de eeuwige nacht.
En wil het nu wel zijn dan zullen we ook weer net als Jona wakker gemaakt moeten worden.
Kijk dan krijgt onze reis een andere koers. Wel moeilijk wordt het dan.
Het gaat bij Jona onder de zee door. Tot in de buik van de grote vis.
Het wordt een benauwde bidplaats.
Maar straks gaat de reis verder, over het verlaten strand, waar de vis hem uitspuwt.
Op reis naar de eeuwige heerlijkheid. Kan dat ook van u al gezegd worden?
Bent u reeds op weg naar dat oord waar geen moeite en verdriet meer zal zijn?
Onze tekst spreekt daar ook van. Nog altoos zucht dat volk achter de hete ovens.
Nog slaat de stok van de drijver. Maar boven dat vreemde land staat als met letters van goud: “en Ik zal ulieden brengen in dat land.”
Nee dat lijkt er vandaag nog niet op.
Nog moet dat volk stro zoeken. Nog het aantal stenen vol maken. Misschien verstaat u het. Bent u op reis?
U hebt het wel eens mogen geloven ook. U bent weleens vertroost.
Een vrucht uit dat land geproefd. U hebt net als dat volk een verborgen Voorspreker bij de Koning!
En och, bij al dat goede zit u nog opgesloten in de gevangenis.
Kunt u het dan altoos geloven dat de Heere Zijn volk en erfdeel niet zal vergeten?
Zeker u gelooft het wel. Maar dan voor dat erfdeel. Maar voor uzelf. Daar gaat het over. Kunt u nog geloven dat de Heere aan u denkt?
En toch is dat waar. Lees uw tekst maar: “en ik zal u brengen in dat land.”.
Ik zal het dus doen. Ach als dat volk het zelf had moeten doen, daar was geen verwachting.
Maar nu de Heere er zelf voor instaat, nu zal het zeker gebeuren.
Ik zal het doen.
Dat is de God van Almacht. Alle middelen staan Hem tot Zijn dienst.
Ik zal het doen. Dat is ook de God der liefde.
Langs een wonderlijke weg zal Hij Zijn woord bevestigen.
Ik zal het doen. Bij Israël heeft de Heere het gedaan door vele plagen.
Maar straks bewijst Hij Zijn eeuwige Liefde als Hij Zijn Zoon op aarde zendt.
Ik zal het doen! Dan wordt het een weg van bloed en tranen.
Door de Hof van Gethsemané, over de heuvel Golgotha.
God zal het doen en Hij heeft het gedaan.
Straks klinkt het: “Het is volbracht!” Wat krijgt dan dit woord een schone betekenis voor al Gods bekommerde volk.
“En Ik zal ulieden brengen in dat land.”
Nu ook in de weg der ontdekking en bekering. Zeker de wegen des Heeren zijn dan zo wonderlijk.
Het gaat soms door de zee en door diepe wateren.
Hoe bevreesd kan dan Gods kind zijn. Net als David roept men uit: “Nu zal ik nog één dezer dagen omkomen in de handen van Saul”.
En wat een omwegen zijn er dan.
Wegen van smart en wegen van droefheid. Pijnlijke wegen, een weg van kruisdragen.
Genoeg, al die wegen zeggen ons dat het niet een makkelijke weg is naar het beloofde land.
En toch zullen ze er eenmaal komen. Nee, niet door eigen krachten.
Nee, lees uw tekst nog eenmaal: “ En Ik zal ulieden brengen in dat land.”
Soms is dan het land dichtbij, dan weer veraf.
Gods volk van de oude dag zwierf veertig lange jaren door de woestijn.
Maar ze zijn er gekomen. Maar langs de weg van het wonder.
En eens komen al Gods kinderen thuis.
Behouden aan wal! De één drijvende op een balk. De ander zwemmend en uitgeput.
Maar ze komen er. Ook de allerlaatste.
Nee, dan behoef ik niet vooraan te gaan. Als ik maar mee mag gaan.
Hoe staat het zo met u? Bent u reeds op reis? Het zal hier geleerd moeten worden.
We zijn op reis naar de eeuwigheid.
We zijn bij God vandaan gevlucht. Hier zal dus het grootste wonder moeten plaatsgrijpen.
Is dat reeds gebeurd? Zo niet, de tijd wordt voorts kort.
O, haast u dan om uws levens wil. En u arme zwerver, de reis kort op.
Nog een ogenblik en dan is het einde in zicht.
En Hij die het beloofd heeft, is getrouw.
Hij heeft het beloofd: “en ik zal ulieden brengen in dat land.”

Wijlen ds. E. Venema