Gesloten ogen

Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent

Johannes 1:26b

De woorden van onze overdenking verplaatsen ons naar het optreden van Johannes de Doper.
Grote indruk heeft dat gemaakt onder het volk. Allen voelden wel dat Johannes een profeet was.
Het was dan ook zo, dat ze van heinde en verre kwamen om naar hem te luisteren.
Ja, het was zelfs zo, dat er vanuit Jeruzalem enige priesters en Levieten afgezonden werden om aan Johannes te gaan vragen wie hij was.
Ze hebben hem gevraagd of hij soms de Christus was, of Elia, of de Profeet.
Maar Johannes heeft beleden dat hij Die niet was.
Maar, zeiden ze: wie bent u dan wel, wat zegt gij van uzelven?
Toen heeft Johannes gezegd: “Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maak de weg des Heeren recht; gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft”.
Hiermee heeft Johannes duidelijk gemaakt wie hij was.
De wegbereider van de Messias.
Maar die afgezondenen waren toch niet tevreden met dat antwoord.
Want dan zeggen ze nog: Waarom doopt gij dan? En dan gaat Johannes nog duidelijker maken wie hij eigenlijk is.
Hij zegt: “Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden. Dien gij niet kent; Dezelve is het, Die na mij komt.
Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden”.
Hoe schoon gaat Johannes hier tekenen, dat hij in vergelijking met Hem, Die na hem komen zou, eigenlijk niets was.
Hij zegt: ik ben maar een stem. Het gaat niet om mij, maar om Hem. Johannes werd er voor bewaard dat hij zichzelf ging verheffen door al de belangstelling die er voor hem was.
Wat is dat een groot voorrecht in het leven van iemand die geroepen wordt om de weg ter Zaligheid aan te wijzen.
Wat wordt het vlees gestreeld wanneer er veel belangstelling is voor degene die de boodschap brengt.
Wanneer van heinde en ver de mensen toestromen om ons te horen.
Johannes was er door genade niet gevoelig voor. Nee, zegt hij, ik kan u niets geven, ik kan u niet zalig maken.
Maar het gaat om Hem, Die na mij komt en Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
Was nu Johannes reeds een profeet waar de scharen van onder de indruk kwamen, dan moest Hij Die na hem kwam nog veel meer een profeet zijn waar de scharen van onder de indruk zouden komen.
Maar hoe anders was het.
Johannes zegt hier: Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent. De Messias bevond Zich midden tussen de mensen die naar Johannes waren toegekomen en zij kenden Hem niet.
Voor het natuurlijke oog was er eigenlijk niets bijzonders aan te zien.
Maar ligt daar nu juist niet de heerlijkheid van Hem in verklaard.
Zijn broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Dat Hij midden onder het volk stond betekent ook dat ze niet ten hemel hoefden op te klimmen om Hem te zien of te ontmoeten.
Ze konden met eerbied gesproken Hem zo aanraken. Zo dicht was Hij bij hen.
Ligt daar ook niet schoon in verklaard dat Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond.
Wat een prediking ook voor ons. Hij staat midden onder ulieden. Elke keer wanneer Zijn Naam verkondigt wordt, dan staat Hij midden onder ons.
Maar moet nu ook van ons gezegd worden wat Johannes van die afgezondenen uit Jeruzalem moest zeggen?
Dien gij niet kent. Nee dat was niet omdat ze Hem niet konden kennen.
Het was immers zo geweest dat de Wijzen uit het Oosten in Jeruzalem waren gekomen met de vraag waar de Messias geboren zou worden.
Want zij hadden Zijn Ster gezien in het Oosten.
Ze hadden die mensen wel de plaats gezegd waar Hij geboren zou worden, maar zelf waren ze niet uitgegaan.
Had Jezus van Nazareth niet als twaalfjarige jongen de leidslieden in Jeruzalem verbaasd door Zijn vragen die Hij stelde, maar ook door de antwoorden die Hij gaf.
Och, ze konden Hem wel kennen.
Maar ze wilden Hem niet kennen.
Hoe is dat later ook gebleken toen Hij in het openbaar onder hen wandelde en leerde en wonderen verrichtte.
Ze wilden Hem niet erkennen als de van God geschonken Zaligmaker.
Wanneer Johannes dan ook hier zegt: “Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent”; dan tekent hij daarmee de zware schuld die ze op zich laden door Hem niet te erkennen als de Messias.
Hun ogen waren voor Hem gesloten, maar dat was eigen schuld.
Ze hielden hun ogen gesloten. Immers de tekenen dat Hij waarlijk de Messias was, waren overduidelijk.
Ook de boodschap die Johannes van Hem bracht was overduidelijk.
Maar ze wilden niet dat Hij Koning over hen zou zijn.
Hoe is het nu met ons?
Wij kunnen niet zeggen dat we niet bekend gemaakt zijn met de boodschap van de geboren Koning der Joden.
Wanneer wij nu op zulk een grote zaligheid geen acht slaan dan zal het ons tot schuld gerekend worden wanneer wij Hem niet kennen, niet erkennen.
Aan de andere kant is het ook zo nodig dat de Heere Zelf plaats gaat maken in ons leven voor Hem, opdat wij met Johannes Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.

Wijlen ds. P. Melis (1949-2017)