“Hallelujah! Looft den HEERE.“

“Hallelujah! Looft den HEERE.“

Psalm 148:1a

Gemeente, in deze dagen was er de dankdag voor gewas en arbeid.
En wat is de Hee-re het dan waard om, terugziende op alles wat de Heere ons gegeven heeft, Zijn Naam daarvoor te danken en te erkennen.
In het slot van het boek der Psalmen wekt de Heilige Geest, Die immers alle dichters geïnspireerd heeft, daartoe ook telkens op om de HEERE te loven, te prijzen, te eren, te danken en groot te maken.
Leest u het maar na in de opschriften van Psalm 146 tot en met 150.
Ook deze Psalm 148 wekt niet minder dan twaalf maal op om de Heere te loven.
In onze tekst staat het reeds tweemaal.
Immers het woordje “Hallelujah” betekent letterlijk: looft den HEERE.
Dus eigenlijk staat er in onze tekst twee keer achter elkaar: Looft den HEERE, looft den HEERE!
Daarom staat er zo terecht boven deze psalm: “een aansporing om de Naam des HEEREN te loven”.
Geliefde lezer, die aansporing of opwekking was in de staat der rechtheid niet nodig.
Toen beantwoordde de mens volmaakt aan het doel waartoe de Heere hem geschapen had, namelijk om God zijn Schepper te loven, te prijzen en groot te maken.
Het was Adams hoogste vermaak om de Heere de eer te geven, alle ogenblikken van zijn leven.
Eigenlijk was het toen altijd dankdag.
Maar ach, dat wordt nu door Adams diepe val in ons hart en leven van nature niet meer gevonden.
Wij zijn allemaal adamskinderen, die alleen maar zoekers zijn geworden van onze eigen eer.
Ons praten, werken en zingen heeft ten diepste maar één inhoud en dat is met Nebukadnézar uitroepen: “Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb”?
Van ons leven geldt wat Lukas schrijft van het leven van Herodes in Handelingen 12:23m, namelijk dat hij Gode de eer niet gaf.
Van onze beste werken, van onze ernstigste gebeden, van onze godsdienstige woorden, van het houden van onze dankdagen en van onze schoonste liederen, die we met gevoel en overgave zingen, geldt van nature dat we in dat alles eerrovers Gods zijn en bedoelers van onszelf.
Wanneer dan deze enkele woorden uit onze tekst ons toeklinken, wijst dat de nameloos diepe schuld aan van ons aller persoonlijk leven.
Gods rechtvaardige eis en opwekking krachtens onze volmaakte schepping om Hem te loven en daartegenover ons bestaan.
Kom, hebt u die grote schuld door de werking van de Heilige Geest reeds leren eigenen?
Hebt u zo dankdag gehouden, terwijl alles u veroordelen moest?
Looft den HEERE. Volk van God, moet dat u ook niet veroordelen?
Wat is het daar, ook na ontvangen genade, meestentijds ver vandaan.
Wat kan er een bedoelen zijn van onszelf, zodat we zelfs iets geworden zijn met ontvangen genade en verkregen weldaden.
Wat moet schaamte en armoede ons, in het licht van God te loven en te danken, vaak vervullen.
Looft den HEERE. Hoe zal deze opwekking ooit betracht worden?
Hoe kan het echt dankdag worden in mijn hart?
Dat kan alleen door de Heilige Geest, Die het voor Gods Kerk gaat nemen uit Christus om het naar het welbehagen des Vaders aan de Kerk te gaan schenken.
Alleen om Christus, Die als Borg en Middelaar al de schuld van dat eerroven Gods voor Zijn Kerk gedragen en weggedragen heeft.
Die als Borg en Middelaar de lofzang volmaakt tot Gods eer gezongen heeft.
Alleen op grond van Zijn arbeid, omdat Hij op aarde volmaakt gedankt heeft (Matth. 11:25a), mag een Adamskind uit Hem bediend, hier bij ogenblikken weer ge-steld worden als een ware Juda, wiens naam betekent: Godlover.
Alleen verloren zondaren die door de Heere uit de duisternis getrokken zijn en gebracht zijn tot Gods wonderbaar licht, gaan hier in beginsel vanuit de diepte in verwondering weer dankdag houden en betrachten: “Hallelujah! Looft den HEERE”.
De dichter van Psalm 103:1 mocht dat ook beoefenen toen hij uitriep: “Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam”.
Hier is de vervulling van deze tekst altijd maar in beginsel.
Hier klinken er op de dankdag zo vaak weer valse en onzuivere klanken door dat zingen en loven van ons en onze kinderen, ja zelfs van Gods volk.
Valse en onzuivere klanken van hoogmoed, eigenliefde, opstand en onverenigdheid.
Maar straks in de hemel zal, wat hier ten dele is, volmaakt zijn.
Dan zullen de hemelingen eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.
Dan zal het storeloos en eindeloos klinken: “Hallelujah! Looft den HEERE”!
Ja, looft den HEERE en dat tot in der eeuwigheid!
Dan zal het eeuwig dankdag zijn.
Geliefde lezer, zal dan ook uw, jouw en mijn stem zich paren met de stemmen van die schare die niemand tellen kan om dan tot in eeuwigheid dankdag te houden?

Looft God, looft Zijn Naam alom;
Looft Hem in Zijn heiligdom;
Looft des HEEREN grote macht,
In den hemel Zijner kracht;
Looft Hem, om Zijn mogendheden;
Looft Hem, naar zo menig blijk
Van Zijn heerlijk koninkrijk,
Voor Zijn troon en hier beneden.

Uw en jouw Ds. A. Ver-schuure