Hammaäloth

Een lied Hammaäloth

Psalm 120-134:1a

Wij vinden in het Boek der Boeken door de koninklijke zanger David vijftien zulke liederen en wel van de 120e tot en met de 134e Psalm.
Deze psalmen waren door de dichter vervaardigd om gezongen te worden op de trappen en bij het opklimmen op de berg Sions naar de heilige tempel.
Vandaar een lied Hammaäloth, dat betekent een lied ‘bij trappen’ of een lied ‘des opgangs’.
Oude zangers
Het is bekend hoe de zangers in het huis des Heeren deze liederen hebben gezongen ter ere van Jehova en hoe onder hun getal zich er één bevond die tot aan zijn einde toe doodbrakende was, wij bedoelen Heman.
Doodbrakende en toch onder de heilige zangers in de tempel, dat klinkt vreemd en toch mocht dezelfde Heman uitroepen: “O Heere! God mijns heils”, zie Psalm 138.
Ook vinden we onder hen een Asaf, die er rond voor uitkwam, dat hij een onvernuftig beest was, zolang hij buiten het heiligdom stond.
En waren dat de zangers in des Heeren tempel? zo vraagt u.
Ja, zulke onvernuftige beesten en zulken die zeggen moesten: “van de jeugd af aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig”, de zodanigen waren tot dat heilige werk geroepen, doch wij hebben niet te vergeten, dat zij op de trappen stonden en naar boven gingen.
Niet dat het opgaan langs die trappen snel en vluchtig plaatshad.
Integendeel, het ging zeer langzaam.
Lang vertoefden zij op iedere trap, doch op de laagste, zowel als op de hoogste zongen zij ter ere van de Allerhoogste.
Afschaduwing
Zo deden de heilige zangers van Israël en zo waren ze als hen die we u daar noemden, en zo doen ze en zo zijn ze nog.
Maar, zal menigeen zeggen, dat is nu reeds lang voorbij, de heilige zangers bestaan niet meer en dus zijn de liederen Hamaäloths reeds lang vervallen.
Meent u het zo, wij menen het anders, lezer.
Weet u niet dat onder de ceremoniële bediening alle schaduwen rijk en diep van betekenis waren?
Zo is ook het lied bij trappen een afschaduwing van de liederen Hammaäloths onder de nieuwe bediening.
Elk en een ieder die in Sion is geboren, is een heilige zanger en zij gaan allen langs trappen tot de ware Tempel, dat is Christus, op.
Geen één is er onder hen, die een trap overslaat (die zulks beproeven, horen er niet bij), zij gaan naar de ordening des Heeren langs de trappen naar boven.
Nieuwe zangers
Komt, bespieden we eens zulk een heilige zanger onder de nieuwe bediening.
Als wij er enige ervaring van hebben, kunnen wij het verstaan en dan kunnen we er ook iets van meedelen. Daar staat hij op de laagste trap, gebogen is het hoofd en wij horen: “Uit de diepte roep ik tot U, o Heere!” Reeds zijn daar de uitgangen naar boven, al is het een psalm uit de diepte. Het roepen geeft reeds hoop en langzaam verheft zich het gebo-gen hoofd, de voet wordt opgelicht, een trap hoger geklommen: “Heere! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.” Sterker wordt het geroep en hoe sterker geroepen, hoe meer de zanger opwaarts stijgt. Maar op de vol-gende trap genaderd, buigt zich andermaal het hoofd en het zielsoog blikt naar binnen in de modderpoel des harten, doch weer verheft zich het oog hemelwaarts en zij verheft de stem, roepende: “Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal be-staan?” En terwijl de voet wordt opgeheven en een trap hoger geklommen, begint de stem vrolijker te klinken. Nee, dat weet hij, dat doet de Heere niet. Hoort hoe hij reeds jubelt: “Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.” Ziet u hoe die Geest des geloofs reeds is uitgestort? En nu de zanger al hoger opklimt, slaat hij het oog om zich heen en zegt “ik verwacht de Heere” en ziet, nu is hij reeds zalig , zoals er geschreven staat: “Zalig zijn ze die U verwachten.” De lieflijke geur van de heilige zalfolie verspreid-de zich reeds om hem heen en hij rook naar zoetigheid. Hij hoopte reeds op ’s Heeren Woord en zo was de zanger in hope zalig en al is het ook dat hij de Zielsbruidegom nog niet ziet, nochtans stijgt hij hogerop en juicht al opklimmende: “Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op den morgen”, en zo wacht hij eveneens en tuurt en staart of hij de eeuwige Zon ook in het oog kan krijgen of haar lieflijke stralen opmer-ken. “Israël hope op den Heere”, zo klinkt het. Israël, dat is die vorstelijke strijder in den gebede en ziet daar begint de geestelijke duive te klapwieken en duidelijk openbaart zich het goud dat tussen de zilverwitte vederen zit. Al hoger en hoger stijgt hij en jubelt: “Bij den Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing”, en mij dunkt, de zan-ger heeft er in zijn hart bijgevoegd: “Daar weet ik van te spreken” en het is hem even-eens alsof de volkomen verlossing reeds daar was, want het geloof zegt: “Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.” Zo kwam de zanger al hoger en hoger en weet, door het geloof (want dat toch is een bewijs der zaken die men niet ziet), dat hij een-maal als een vlekkeloze bruid de Vader door de Zoon zal worden voorgesteld.
Toepassing
Lezer, kent u ook de liederen Hammaäloths?
Zo niet, dan behoort u niet tot de levende familie Gods en zult u, zo blijvende, nooit de tempel Zijner heiligheid aanschouwen.
Kent u ze en haar zangwijze? Dan bent u een heilige zanger en weet dat, al staat u op de onderste trap, u tot de koninklijke garde behoort en wees verzekerd, dat u daar niet zult blijven staan, maar (al gaat het langzaam), toch hoger en hoger stijgen, totdat één’ maal de brede vleugeldeuren der eeuwige onsterfelijkheid voor u zullen opengaan.

ds. P. Los Gzn. (1815-1888)