Hervorming

Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.

Galaten  1 : 11

De Brief aan de Galaten is door Luther enige keren aan zijn studenten uitgelegd.
Daarbij raakte hij geboeid over het onderwijs dat deze brief bevat voor, zoals Luther zich uitdrukte, verwarden, aangevochtenen, geplaagden, verzochten, de in geloof arme Galaten.
Luther vond deze brief voor hen heel gepast, want volgens hem kunnen alleen zulke mensen de brief verstaan.
De apostel Paulus schrijft deze brief omdat hij bericht had ontvangen dat de Galaten zich zo spoedig hadden laten inpalmen door de valse leer van de judaïsten.
Die leerden wel Christus, maar ze waren erop uit om de bekeerden uit de heidenen de Mozaïsche wetten op te leggen.
Paulus noemt dat in vers 6 een ander evangelie.
Deze dwaalleer leidden de Galaten af van de zuivere leer. Want door deze valse leer geloofden ze dat een mens voor God niet wordt gerechtvaardigd door het geloof alleen, maar door de werken van de wet.
Ten tijde van de Reformatie was die opvatting niet nieuw.
Ook toen leerden de geestelijken het volk dat de zaligheid is gelegen in het onderhouden van plichten en vormen.
Ook vandaag menen velen de zaligheid te beërven door te voldoen aan de eisen van het verbroken werkverbond.
Dat is ten enenmale onmogelijk. Als dat al zou kunnen, dan had Christus niet behoeven te lijden en te sterven.
Jezus Christus is niet op de wereld gekomen voor nette, keurige, in eigen oog rechtvaardige mensen, maar voor zondaren tot bekering.
Paulus verkondigt een Evangelie dat niet is naar de mens. Zoals uit het volgende vers blijkt wil de apostel ermee zeggen dat het hem niet door mensen is gegeven of geleerd, of dat het steunt op de autoriteit van enig mens.
Daarom wordt het Evangelie ook genoemd: het Evangelie Gods (Rom.1:1) of het Evangelie van Christus (1 Kor. 9:18).
De apostelen en ook de dienaren van het Evangelie hoeven niet met eigen woorden te komen, ze moeten het Woord van God, het Evangelie van Christus, verkondigen.
Dat het Evangelie niet is naar de mens, wil ook zeggen: het streelt de mens niet; hij is er niet blij mee.
Is dat niet in strijd met, zoals het Evangelie toch is: een blijde boodschap?
Een blijde boodschap is toch aangenaam voor de mens? Waarom is dan het Evangelie voor de Joden (de eigengerechtigde mens) een ergernis en voor de Grieken (de in zichzelf wijze mens, die het denkt te weten) een dwaasheid?
Het antwoord op die vraag is: Omdat het Evangelie vijandschap oproept.
De prediking van het Evangelie breekt een mens af. Het ontkleedt een mens van alle eigen werken, opdat er plaats komt voor vrije genade.
Hebt u die vijandschap al gevoeld in uw hart?
Daar waar het Evangelie door de kracht van Gods Geest het hart van een mens verbreekt, komt door de Wet de vuile bron van wanbedrijven in ons leven open te liggen.
Dan komt een mens in al zijn walgelijkheid en verdorvenheid openbaar en dat is niet aangenaam.
Toch is het Evangelie wel voor de mens, want als het Evangelie geen kracht doet, dan leeft de mens door in de zonde en de ongerechtigheid of in zijn eigengerechtigheid.
Waar het Woord van God kracht doet wordt alles van de mens terneer geworpen en wordt het huisje van onze eigenwillige godsdienst en eigengemaakte vroomheid de lucht in geblazen.
Daar verzet een mens zich tegen.
Dat was in de tijd van de Reformatie niet anders. De geestelijke doodsstaat, waarin we van nature verkeren, verzet zich tegen vrije genade.
Daardoor kunnen we zo gerust voortleven naar de eeuwige rampzaligheid, die wacht als we onbekeerd sterven.
We willen dat niet horen. Of is dat in uw leven anders geworden? Niet alleen de goddeloze mens, maar ook de godsdienstige mens sluit zijn oren voor de boodschap van het Evangelie toe.
In de Middeleeuwen werd naar de opvatting van de kerk met de doop de genade de dopeling ingeschonken.
Men behoefde alleen nog maar voor de dagelijkse zonden te biechten en zo dat niet genoeg was kon men een aflaat kopen om zo voor een bepaalde prijs het Koninkrijk der hemelen in te gaan.
Alles was met geld te koop.
Hoe staat het met u, met jou? Je bent gedoopt, hebt misschien al belijdenis gedaan.
Er kunnen ook wel eens indrukken van dood en eeuwigheid zijn geweest.
Je kunt ook wel eens houvast hebben gehad aan een tekst of aan een psalmvers.
U denkt ermee voor God te kunnen bestaan in het gericht, maar vergis u niet.
Luther had het geleerd, dat het Evangelie niet is naar de mens. Hij dacht zelf de gerechtigheid voor God aan te kunnen brengen, maar hij moest het door schade en schande heen leren dat de rechtvaardige door het geloof alleen leeft.
Die geloofswetenschap werd hem geschonken in het meest donkere uur van zijn leven, maar waar ook het licht opging, toen hij het mocht verstaan dat de gerechtigheid door een Ander is aangebracht.
Hij mocht de armen van het geloof er omheen slaan. Daar in de eenzaamheid van de torenkamer stond hij eerst als een verlorene voor Gods aangezicht.
Hij zegt er zelf van: Ik stond en ik klopte of er niet iemand was om open te doen en er was niemand.
In zijn laatste benauwdheid behaagde het de Heere hem de poort naar het paradijs te openen.
Het Evangelie is niet naar de mens, maar wel voor de mens. Als de Heere door de wederbarende bediening van de Heilige Geest ons geloofsoog opent voor de schoonheid en de beminnelijkheid van het Evangelie van Christus, dan weten we ook dat we het niet van een mens hebben ontvangen.
Het is genade alleen.
Daarvoor kwam Christus in de wereld om te lijden en te sterven. Is die wetenschap ons deel?

ds. W. Silfhout (emeritus-predikant van Capelle aan den IJssel-Middelwatering)