HET BROOD DES LEVENS

“Ik ben het Brood des levens;…….”

Johannes 6:35m

Na de wonderlijke spijziging met de vijf broden en twee visjes zocht de schare de Heere Jezus opnieuw.
En toen zij Hem gevonden hadden, zei de Heere Jezus tot hen: “Gij zoekt Mij, maar niet in der waarheid.”
Het ging de Joden niet om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, maar om de spijze die vergaat.
Ze waren als hun vaderen in de woestijn.
De Heere gaf hun manna, maar hun ziel walgde van dat zeer lichte brood.
Daarom onderwijst de Heere de schare over het ware Brood uit de hemel: “Ik ben het Brood des levens.”
In het evangelie van Johannes lezen we meer dat de Heere spreekt: “Ik ben.” Met beelden uit het dagelijks leven tekent de Heere Zijn Middelaarsheerlijkheid.
Brood: dat is alles wat voor het dagelijks leven nodig is.
Brood is nodig om te leven.
Israël leefde in de woestijn van het dagelijkse, voedzame manna.
Nu zegt de Heere Jezus: Ik ben het ware Manna, het ware Brood.
Gegeven door de Vader naar Zijn welbehagen.
In Mij is het leven tot in der eeuwigheid. Christus is het Brood des levens.
Hij heeft het leven verworven door Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid.
Hij wilde Zich als het ware Broodkoren laten verbrijzelen.
Hij heeft Zijn gezegend lichaam laten verbreken. Hij wilde de vloek der wet voor de Zijnen dragen.
Hij vernederde Zich tot in de dood des kruises. Hij is in de dood ingegaan om het leven voor de Zijnen te verwerven.
Ten derde dage opgestaan als de Opstanding en het Leven.
Naar dit Brood des levens hongert van nature niemand.
Wij hebben ons dood gegeten aan de verboden vrucht. Heel ons begeren gaat uit naar aards goed.
Wij zoeken verzadiging in rijkdom, eer of macht.
Maar dit verzadigt nooit. We komen er eeuwig mee om! En dit is onze ellende: we zien het niet.
Waarlijk, dood door de misdaden en de zonden.
En nog klinkt het: “Ik ben het Brood des levens.” Christus verwerft en schenkt het leven.
Het welbehagen des Vaders gaat door Zijn hand gelukkiglijk voort.
Hij opent door Zijn Geest het oog van al de Zijnen in de ure van de wedergeboorte.
En laat zien de dwaasheid van de honger naar de spijze die vergaat.
De nameloze ellende buiten God.
Dan hebben ze hun tranen tot spijze dag en nacht.
Tranen van berouw, van zondensmart, van Godsgemis. Dan wordt dit de spijze van het volk: hongeren naar de Heere en Zijn gemeenschap.
De Heere doet in al hun ongeluk ervaren de zoete smaak van Zijn dienst. En toch in die tranen ligt het leven niet.
Nodig is het dat de Heere hen leert in de weg van ontdekking, dat goed geen nut doet ten dage der verbolgenheid, maar dat alleen gerechtigheid redt van de dood.
En die gerechtigheid hebben ze niet!
Dit betekent omkomen, naar recht.
Wat wordt dat een wonder wanneer de Heere het oog opent voor Hem, Die sprak: “Ik ben het Brood des levens.”
Dan gaan ze hongeren, uitzien naar Hem. Hem te missen, dat is alles missen.
Zalig zijn die hongeren naar de gerechtigheid, want zij zullen op Gods tijd verzadigd worden.
Dan zullen ellendigen, armen die met niets geholpen kunnen worden, alles in Hem mogen vinden.
“Ik ben het Brood des levens”.
Hij onderhoudt ook Zelf het door Hem gewerkte leven.
Dat beweldadigde volk kan weer zo hongeren naar het aardse; geen begeerte naar het ware Brood.
Maar Hij doet op Zijn tijd hen weer hongeren naar dit Brood, waarin alles is voor tijd en eeuwigheid.
Dan verzuchten ze met de Psalmdichter: “Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp.”

Ds. G.J.N. Moens