Huilen en lachen

“Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.”

Psalm 126:5

We zien in gedachten de landman met de zaadbak op de heup over de akker lopen. Met een brede zwaai strooit hij telkens een handvol van het kostbare zaad uit. Hij benut daarbij het hele land en slaat geen stukje over. Het is een prachtig en vreedzaam gezicht. Maar vergist u niet! Hij draagt in de zaadbak de uiteindelijke oogst in de kiem bij zich. Uit het uitgestrooide zaad moet straks namelijk de oogst komen en daar hangt zijn hele bestaan van af. Daar hangt de voorspoed van zijn gezin van af. Het voortbestaan van zijn bedrijf. Zijn leven. Ja, álles hangt daar vanaf. Zijn hart is onder het zaaien dan ook vol zorg. Al zaaiend vermenigvuldigen zijn gedachten. Hoe zal het weer straks zijn? Zal het zaad goed kiemen? Komt er mogelijk grote hitte waardoor de eerste kiemen verbranden door de zon? Zal er veel regen vallen waardoor de wortels verrotten? Zal het ongedierte de jonge planten mogelijk gaan aanvreten? Komt er een ziekte waardoor de oogst in gevaar komt en er een tijd begint van ellende en zorg? O, ja het is een zaaien met tranen! Maar hij bidt de Heere des oogstes.
Maar wat is het groot, als het zaad voorspoedig mag kiemen en het gewas op mag groeien en vruchten mag gaan voortbrengen. Dan zullen straks de sikkels ter hand genomen worden en zullen de gouden halmen vallen en in schoven worden samengebonden. Ja, dan zal het oogstfeest gehouden kunnen worden. Wat een vreugde! Wat een blijdschap! Daar zal men lachen en juichen en is alle zorg vergeten. Daar mag de landman God gaan danken en loven. Hij Die alles gemaakt heeft en alles laat groeien en bloeien. Uit tranen wordt vreugde geboren. Zo was het ook bij het volk Israël toen het weende in Babel. Want daar gaat deze Psalm 126 over. De inleiding bij de kanttekening zegt: “de gemeente dankt God voor haar wonderbare verlossing uit de Babylonische gevangenis, biddende dat Hij Zijn werk volbrengen wil.” Wat waren er veel tranen toen ze weggevoerd werden. Maar door Gods genade ontsproot een grote vreugde toen ze terug mochten keren naar het heilige land. “Wij waren gelijk degenen die dromen” zegt het volk in vers 2. En in vers 3: “de Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.” Daar mogen ze God gaan danken in de tempel.
Ze hadden met tranen gezaaid, maar mogen nu met gejuich maaien. Uit tranen wordt gejuich geboren. Zie in dit verband ook eens op Jezus Christus, de Zoon van de hemelse Landman. Hij ging ook de weg van bitter lijden tot heerlijkheid. Hij móest en wílde de weg van smarten ook gaan. Hij heeft tranen geschreid over Jeruzalem waar Hij het uitriep: “Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten dood en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild.” Tranen zijn op de aarde gevallen waar Zijn volk zich niet bekeerde. Tranen hebben er gevloeid toen Hij, de gezegende Borg en Middelaar, de weg moest gaan van bitter lijden en sterven. Tranen werden gezaaid toen Hij onschuldig ter dood werd veroordeeld. En het is ook de weg van al Gods kinderen. De weg van bekering begint altijd met tranen. Het is altijd eerst zaaien met tranen. Waarom? Omdat ze gezondigd hebben tegenover een heilig God, omdat er een scheiding is tussen God en hun ziel. Eerst moeten ze wenen over de zonden en zijn ze bezorgd over de toekomst. Eerst roepen ze in grote zielennood tot de Heere om ontferming en zijn ze bevreesd voor eeuwig te moeten omkomen. En dat rechtvaardig! Maar uit dat tranenzaad wacht een heerlijke oogst! Als er niets meer over is dan tranen, gaan ze zingen: “daar alle hoop mij gans ontviel en niemand zorgde voor mijn ziel. Voer mij uit mijn gevangenis tot roem Uws naams die heerlijk is. Dat mij ’t rechtvaardig volk omring, en vrolijk van Uw weldaan zing”.
En wat een eeuwig wonder als dan door al die tranen heen de Middelaar mag gaan schitteren en ze een blik mogen slaan op Die Gezegende des Vaders. Daar gaan ze huppelen van zielenvreugd. Ja, dan mag de regen van Gods Geest het hart gaan doorweken, zodat het zaad van het Evangelie van vrije genade mag gaan ontkiemen. Daar mogen ze gaan opwassen in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus. Daar mogen vruchten worden voortgebracht der bekering waardig. En eenmaal mogen ze ingaan in de hemelse voorraadschuren om altijd bij de Heere te zijn. Daar zullen alle tranen van de ogen worden afgewist. Kent u het ook? Is dat tranenzaad al in uw hart gezaaid? Is de hemelse Landman dat goede werk al in u begonnen? Hebt u leren juichen over de verlossing uit Babel? Is er al eens oog gekomen voor de grote Landman Die Zijn Zoon gaf tot in de dood des kruises? Wat is dat een gelukkig volk! Die gaan het uitroepen: “De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd.” Ach zegt u, tranen zijn er genoeg. Mijn oog is roodgekreten, van tranen uitgebeten. Ik heb mijn tranen onder het klagen tot mijn spijze dag en nacht. Ik heb gedaan dat kwaad is in Gods oog. Ik ben de voornaamste der zondaren. Ja, er zijn grote tranen omdat ik straks voor eeuwig om moet komen. En dat rechtvaardig. En nu bid ik de hele dag door; ai veracht mijn tranen niet. Is dat uw leven? Weet dan:

 

Die hier bedrukt met tranen zaait,
zal juichen als hij vruchten maait;
Die ‘t zaad draagt, dat men zaaien zal,
gaat wenend voort, en zaait het al;
Maar hij zal, zonder ramp te schromen,
eerlang met blijdschap wederkomen,
en met gejuich ter goeder uur,
zijn schoven dragen in de schuur.

Ds. C. van Ruitenburg