IK en gij

“Want Ik leef, en gij zult leven”

Johannes 14:19

Onze tekstwoorden bevatten in het kort het Paasevangelie.
De Prediker is Christus Zelf. De hoorders zijn de discipelen.
Het verband waarin deze woorden zijn gesproken, is een afscheidsrede, die Christus houdt voor Zijn sterven.
“Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven”.
Dat Hij op dit ogenblik leeft, weten Zijn discipelen wel. Zij zagen Hem in hun midden.
Zij hoor-den Hem spreken. Deze woorden zijn niet te verstaan als we ze niet bezien in het licht van de toekomst.
Na een kleine tijd zou Hij sterven en zich niet meer aan de wereld vertonen.
Toch zou Hij leven en de discipelen zouden Hem zien.
Ook van deze woorden geldt: “En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschied is; opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt”.
Want Ik leef!
Hoe zeker is Christus daarvan. De discipelen waren zo ontroerd over Zijn heengaan.
Ook voor Christus moet het zwaarste van Zijn lijden nog komen.
Toch is de overwinning zeker. Hij kan met stelligheid zeggen: “gij zult Mij zien, want Ik leef”.
De rechtvaardigheid Gods eist de dood van de zondaar, maar ook het leven van de onschuldige.
Christus zal aan het recht voldoen, daarom kon Hij van de dood niet gehouden worden.
Hij kan zeggen: “Ik leef”, omdat Hij de dood vol-komen zal overwinnen.
Straks, na de opstanding, horen wij Hem bij vernieuwing zeggen tot Johannes op Patmos: “Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid”.
Geliefde lezer, is het ook voor ons een troostboodschap?
De wachters wensten juist dat Christus niet leefde. Zijn leven was hun dood.
Zij werden als doden toen zij erachter kwamen dat het waar was: “want Ik leef”.
Het liefst hadden zij Hem voor altijd in het graf besloten.
De indruk van hun sprekend geweten hebben zij weer zo spoedig gesmoord.
Ligt daarin niet ons dwaze bestaan van nature getekend? Waar heeft de boodschap dat Hij leeft ons gebracht?
Velen zullen straks roepen als zij er achter komen dat Hij leeft: “tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons”.
Hoe anders mocht het zijn met Saulus van Tar-sen.
Toen hij erachter werd gebracht dat Jezus leefde, is hij als een verloren zondaar aan Zijn voeten terecht gekomen.
Hij vond geen vrede, totdat het God behaagde Zijn Zoon in Hem te openbaren.
Dat Christus leeft, kunnen de discipelen niet meer geloven als Hij het recht Gods gaat voldoen.
Hier zijn ze al zo bedroefd en wat zou er nog alle-maal volgen? Met Hem verging al hun hoop.
De Emmaüsgangers zeggen straks: “En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou.
Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn”.
Zijn dood bete-kende ten diepste ook hun dood. Daarom was het hen zo bang toen Christus gestor-ven is.
Hier belooft Hij hen reeds: “gij zult Mij zien, want Ik leef”. Met dat zien worden straks al hun raadsels opgelost.
Het is nog zo’n verborgenheid dat Christus leeft, als het recht Gods persoonlijk wordt ingeleefd.
Als de straf der zonde wordt ingeleefd, geeft het verstandelijk weten geen troost meer.
Slechts het mogen zien van de levende Christus in de oefening des geloofs kan de bange vreze wegnemen.
Gij zult leven! Dit is een belofte voor de toekomst van de discipelen. Zijn leven is hun leven.
Hebben de discipelen zulk een belofte wel nodig? Zij leven toch reeds?
Dat zij het leven behouden als God Zijn recht gaat verheerlijken, is allerminst vanzelfsprekend.
Eenmaal sprak God: “ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven”.
Het zwaard van Gods gerechtigheid had hen moeten treffen. Hoe bang wordt het hen als dit zwaard wordt uitgetrokken.
Allen zijn ze weggevlucht en verstrooid in die ure. Toch: zo zeker als Hij zou leven, zouden zij leven.
De kanttekening zegt hier: “dat is, Ik zal u nog levend vin-den”. Is dat geen onverdiende genade?
Het zwaard trof niet de schapen, maar de Her-der. De Herder vond hen levend toen Hij Zijn hand tot de kleinen heeft gewend.
Gij zult leven. Het is hier dus een woord tot hen die de dood verdiend hebben.
De waarde van dit woord zullen ze op de paasmorgen pas ten volle verstaan.
Dan valt er zo’ n licht over. Delen wij ook in deze troost van Pasen?
De satan fluistert ook: gij zult leven. Hij zegt tot de vrouw: “Gijlieden zult den dood niet sterven”.
De natuurlijke mens gelooft deze leugenaar nog steeds. Dit woord is echter bedrog.
Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Maar die met Hem verenigd zijn, zullen leven.
Welk een bemoediging ligt er dan in dit woord voor hen, die inleven de dood verdiend te heb-ben.

Ds. A. Schot