Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

Handelingen 16:30b

Bevend over zijn gehele lichaam en benauwd naar de ziel werpt de stokbewaarder zich neer aan de voeten van Paulus en Silas.
Daarna springt hij weer op en brengt hen vanuit het binnenste van de gevangenis naar zijn huis.
Daar schreeuwt hij het uit: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Nog maar een ogenblik geleden stond hij met de punt van het zwaard op de borst en zou zichzelf om het leven gebracht hebben indien de Heere hem niet zou hebben tegengehouden door middel van Paulus: ‘Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.’
Nu staat hij bevende voor de apostelen.
Het is het beven van een ontwaakt geweten.
Eerst had hij gebeefd voor de aardbeving en voor de gevolgen voor zichzelf van het feit dat de gevangenisdeuren waren opengegaan.
Daar denkt hij nu niet meer aan.
Er is een andere oorzaak voor zijn beven: Hij moet zalig worden.
Hij is uit zijn geestelijke doodsslaap gewekt door de Heilige Geest.
Hij moet verlost worden van het grootste kwaad, de zonde en gebracht tot het hoogste goed, hersteld worden in de gemeenschap met God.
Een schreeuw om leven stijgt op uit zijn hart.
Zo gaat het in het leven van een mens, die door de Heere wordt getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Dan gaan we beven voor Gods majesteit.
We komen aan de voeten des Heeren terecht met smeking en geween.
In ware verootmoediging gaan we belijden: ‘k Bekend’ o Heer’, aan U oprecht mijn zonden.
Dan wordt een ruwe cipier als een kind. Dan komt de meest brute zondaar aan de voeten des Heeren terecht als een kind.
Kennen we daar iets van, lezers? Is ons hart al verbroken onder het gewicht van en het gezicht op onze zonden en schuld voor God?
Waar de Heere die zelfkennis schenkt wordt de levensvraag geboren: Wat moet ik doen? Die vraag vervulde Paulus op de weg naar Damascus: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?
Zij, die op de Pinksterdag werden doorstoken in het hart, gingen roepen: Wat moeten wij doen?
Is die vraag bij u al geboren?
Dan gaat het niet meer over een ander.
Dan is de vraag niet: Wat moet een mens doen om zalig te worden?
Maar dan gaat het over mij. Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde.
Is er voor mij nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?
Kan ik nog met God verzoend worden?
Wat moet ik doen?
Misschien zegt u wel: Dat is een verkeerde vraag. Het Koninkrijk der hemelen wordt toch niet ingenomen door doen en laten?
Alles is toch gedaan door Christus? Wat doen?
Geen vlees wordt toch gerechtvaardigd door de werken van de wet.
Toch is het geen vreemde vraag. Ik hoop dat het voor u geen vreemde vraag is.
De Heere brengt een ontdekte zondaar in het werkhuis.
Werken zit ons zo in het bloed, dat we ons liever doodwerken dan uit genade zalig te worden.
Wat kan een mens al niet proberen om zelf de breuk tussen God en zijn ziel te dichten.
Door zijn ijver voor de dienst des Heeren, door zijn bidden, het onderzoek van de Bijbel, het proberen in eigen kracht de zonde te overwinnen.
Maar in die weg wordt het al maar onmogelijker om zalig te worden.
Een beroep op Gods barmhartigheid baat niet, want God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.
Alle pogingen om zichzelf te verlossen worden afgesneden. Waarom?
Opdat verstaan en bewonderd zal worden: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof en dat niet uit u, het is Gods gave.
In die weg maakt de Heilige Geest plaats voor Jezus en richt Hij het geloofsoog op die dierbare Middelaar.
Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.
Voor een mens in de nood van zijn leven en in de onmogelijkheid van zalig worden aan zijn kant een boodschap van heil en zaligheid.
De zaligheid ligt buiten de mens, in een Ander.
Hij heeft alles gedaan!
De Heere werkte in de begintijd van de nieuwtestamentische kerk zo wonderlijk.
In korte tijd bracht Hij zondaren tot de kennis van Christus. Hij is nog Dezelfde.
Is uw hart doorstoken door het zwaard des Geestes?
Weet u niet meer hoe u zalig moet worden? Met al uw doen is het op niets uitgelopen, u zinkt steeds dieper weg in de doorleving van uw verlorenheid?
Luister dan naar het antwoord vanuit het Woord: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.
Kunt u het niet geloven? Bid om de ontdekkende bediening van de Heilige Geest, opdat Hij uw ogen moge verlichten en de nevels op doe klaren.
Vraag of Hij weg wil nemen wat in de weg staat.

(Psalm 106:3)
Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
’t Welk Gij uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem’,
En, delend in Uws volks genoegen,
Mij, met Uw erfdeel, blij beroem’.
(Psalm 106:3)

Ds. W. Silfhout