“Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?”

Romeinen 2:4

De jaarlijkse dankdag is, als u dit onder ogen krijgt, weer aanstaande. Hoewel in alles openbaar komt dat de Heere een twist heeft met de inwoners der aarde, schenkt de Heere ons dit nog. Moeten we ons niet verwonderen over al het goede wat de Heere ons doet toevloeien? We hebben ieder voor zich alle reden om neer te zinken aan de voeten des Heeren. Maar ware dankbaarheid is geen vrucht van onze akker. We beseffen onze afhankelijkheid niet en we zien Gods geopende hand niet. Wat zou het een voorrecht zijn, wanneer we last kregen van ons ondankbaar hart. Ook Gods kinderen moeten vermaand worden: “Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden.”

De woorden van onze overdenking zijn een vraag. God komt tot ons met een vraag van zelfonderzoek: “Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid?” Betoont de Heere Zijn goedertierenheid niet hierin, dat we nog mogen leven? Hoe dikwijls vlogen de pijlen des doods vlak langs ons heen? Ze troffen een vriend, een kind; wij bleven gespaard. Wat een onderscheid heeft de Heere gemaakt, waar geen onderscheid was. Van die goedertierenheid getuigt ook onze gezondheid, wie haar missen moet, mist voor het leven heel veel. Hij klaagde: “De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.” Heeft de Heere ons als natie niet vele bewijzen van Zijn goedertierenheid geschonken? In zoveel landen wordt er bloed vergoten en wij mogen nog in vrede leven. Andere volken op aarde werden door het oorlogszwaard getroffen en ons ging de Heere tot hiertoe voorbij.

Die rijkdom komt ook uit daar we mogen leven in het Licht van het Evangelie. Velen hoorden die boodschap nooit. Dag aan dag komt de Heere in het gewaad van Zijn Woord tot ons. Ook dit jaar wandelde de Heere ons na met Zijn Woord. We werden geroepen, genodigd en gelokt. Wat hebben we met die boodschap gedaan? Wat is de Heere verdraagzaam en lankmoedig geweest.

Wij hebben Gods gebod overtreden, onze schuld groter gemaakt. Wat is God groot, dat Hij in Zijn lankmoedigheid het oordeel heeft uitgesteld. En wat is nu het oogmerk van de Heere daarmee? Wat bedoelt Hij met de openbaring daarvan? Het moet bij ons komen tot waarachtige bekering, want een mens stelt zijn bekering altijd uit. Hoe nodig is het dat ons hart geraakt wordt, vertederd en verbroken. Dat wij ons leren kennen als een verloren zondaar of zondares voor God. Als Gods Geest ons bearbeidt leren we onszelf kennen als van God afgevallen en de duivel toegevallen. Dan kunnen we niet begrijpen dat God zo goed voor ons is. Dan staat Zijn grote goedheid tegenover onze slechtheid. Dan worden wij verbroken en verslagen, dan smeken we: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent”. Dan hebben we aan de zegeningen niet meer genoeg, dan gaat het om God zelf. Wat een wonder wanneer zo één nog zalig kan worden. Dan weidt onze ziel daar met een verwonderend oog. Dan wordt er een dankdag gehouden op de puinhopen van ons bestaan. Maar dan mag ook gestameld worden: “Ik dank U Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij.”

Ds. A.J. Gunst