Pasen

‘Ik ben de Opstanding en het Leven’

Johannes 11:25a

Geliefde lezers, met Pasen herdenken wij de opstanding van Christus uit de dood.
Reeds onder Israël vierde de kerk het paasfeest. Ook in de dienst der schaduwen lag de verlossing door Christus van Zijn uitverkorenen verklaard.
De vrijmaking toch uit Egypte door het bloed van het paaslam was meer dan de nationale verlossing.
Zij was de vrijmaking door het bloed des Lams van het volk Gods.
Het volk van de oude dag is in geen andere weg zalig geworden dan de kerk van het Nieuwe Testament.
Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. Maar de heilsfeiten lagen in bewindselen, gelijk een bloem als zij nog in de knop is.
Maar door het zaligmakend geloof mocht een ware Israëliet het enig Paaslam, namelijk Christus, aanschouwen en omhelzen, om in Hem gezaligd te worden.
Die schaduwen zijn weggevloden. Al de beloften met betrekking op de komst van Christus in het vlees, zijn vervuld.
Ons Pas-cha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
En dat geslachte Lam heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht, nademaal de Heere van de dood niet kon gehouden wor-den.
Dat is het grote, alles overwinnende feit, dat wij mogen herdenken, telkens weer als de paastijd aanbreekt.
In die opstanding ligt het naar de verklaring van de apostel nog meer, dan in het sterven van Christus.
“Wat meer is”, zo schrijft Paulus in Romei-nen 8,
“Die ook opgewekt is; Die ook ter rechterhand Gods is; Die ook voor ons bidt.
” Zo toch de Heere in de dood gebleven was, hoe zou ooit een zondaar van de dood zijn verlost?
Wie zou Adams nakomelingen ooit hebben doen horen de blijmare van het eeuwig Evangelie: “Ik zal u uit uw graven doen uitgaan”?
Wie zou immer de tijdelijke dood hebben doen overwinnen?
Wie de hemelen hebben geopend en het eeuwig leven hebben geschonken?
Hoe noodzakelijk het lijden en sterven van Christus ook was ter volkomen voldoening aan de eis van Gods gerechtigheid, de Heere moest uit de dood opstaan om Zijn volk het leven te schenken en over de dood te doen triomferen.
En dat majesteit-volle feit stelt het paasfeest ons bij vernieuwing voor ogen.
Pasen predikt de blijmare: “De Heere is waarlijk opgestaan”. Hij, de Leeuw uit de stam van Juda, heeft overwonnen en teniet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel.
Hoe volheerlijk kwam die overwinning uit.
Alles toch was er op toegelegd, Chris-tus in de dood te besluiten.
Niet alleen hebben de krijgsknechten smadelijk en hard-vochtig de klederen verdeeld, als zou de Gekruiste deze nimmermeer van node heb-ben, maar bovendien sloegen heiden en Jodendom de handen ineen om het graf ge-sloten te houden.
Het zegel op de voor het graf gewentelde steen en de Joodse wacht moesten waarborgen dat het graf niet meer werd geopend.
De hel spande alle krachten in, nu het eenmaal tot de dood gekomen was, om te triomferen.
En zie, de morgen van de derde dag breekt aan; de morgen waarop de Heere gesproken heeft, dat de Zoon des mensen zal uittreden uit de schoot der aarde, gelijk Jona ten derden dage uit de buik van de vis kwam.
Een engel des Heeren nederdalend uit de hemel, kwam toe en wentelde de steen af van de deur en zat op dezelve.
Weg zijn de wachters. Zij vloden en werden als doden.
De overwinning is des Heeren. Beving grijpe alle vijanden van Christus aan.
Alle openbare vijanden, die de Gezalfde smaden. Hoe vreselijk zal het oordeel zijn als God ten gerichte nadert en hun wachters en zegels zal vernietigen!
Het paasfeest is de dag van de eeuwige nederlaag van satan en wereld en alle goddelozen.
De wereld moge de kop opsteken, gelijk in onze dagen op zulk een ontzettende wijze, eens zal “de bond der goddelozen” worden verpletterd met een ijzeren scepter.
Dat wij het toch opmerken! Vooral ons opgroeiend geslacht.
Onze jongens en meisjes! Er is zoveel dat hen in het bijzonder lokt tot het kamp dergenen, die roekeloos met God en godsdienst spotten.
Maar gewis, de slag is geslagen, de ondergang is nabij.
Vliedt, o vliedt het oproerig gezelschap van Korach, Dathan en Abiram eer gij in hun gezelschap ter helle vaart.
“Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.”
Ja, kust Hem en roept Hem als Koning in uw ziel uit.
Dat is ons allen van node.
Wij gaan de eeuwigheid tegemoet en hoe prij-zenswaardig ons leven ook is en hoezeer wij bevoorrecht zijn boven duizenden met een rechte kennis van Gods Woord, zonder wedergeboorte zijn en blijven wij vijanden van Christus.
Dat op dit paasfeest, al was het één onzer, als een arm en verloren zondaar voor Christus leerde buigen.
Dat Zijn overwinning ons aan Zijn voeten wierp om genade te verkrijgen en behouden te worden.
Want daartoe is Christus uit het graf verrezen, opdat Hij de Zijnen uit de klauwen des satans en uit het graf der zonde eeuwig verlosse en hun de gerechtigheid toepasse, die Hij door Zijn dood verworven heeft.
Het mocht ook ons geschonken worden uit genade. Want het is uit genade alleen, dat een zon-daar de zaligheid in Christus deelachtig wordt.
Al wat van de mens is valt geheel weg. Niets, niet één zucht of traan komt in aanmerking. Ware dat zo, dan zou Christus geen volkomen Zaligmaker zijn.
Maar Hij heeft alleen alles volbracht en Hij past de verworven zaligheid der Zijnen toe.
Neen, dat volk komt niet om Jezus aan te nemen met eigen krachten van een gewaand geloof!
Hoe bedrogen zullen toch allen uitkomen, die roe-men in een aangenomen Jezus, zonder dat zij van Zijn toepassing aan hun ziel ook maar iets leerden verstaan.
Hun ijdel geloof zal in de dood ontzinken.
Niet van ons maar van Christus gaat der werking uit tot toepassing der zaligheid.
Hij vertegenwoor-digde al de uitverkorenen des Vaders. En nu komt het ogenblik, dat de opgestane en overwinnende Zaligmaker dit Zijn duurgekochte volk, uit de macht der hel en van onder de vloek der wet opeist.
Als een vuurband grijpt Christus de Zijnen uit het vuur.
Elke zondaar die Hij uit de dood roept tot het leven is een bewijs van de volkomen overwin-ning van Christus.
O, mocht dat aan het bedrukte en bekommerde volk deze paastijd eens klaar geopenbaard worden.
Gewis, de banden van het ongeloof zouden breken en de last der zonde zou wegvallen, gij beladenen met schuld, hier is ontkoming.
Gij bedrukten en door onweder voortgedrevenen! Hoelang weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan.
Waar gij de vrede voor uw ziel zoekt, gij zult die buiten Christus niet vinden.
Integendeel, de schuld wordt dagelijks groter en noch uw gebeden, noch uw aangename gestalten, noch Gods volk kan u redden.
Zijt gij heilig jaloers op Gods kinderen? Welnu, hier is de Bron van hun heil en zaligheid!
Tot die Bron mocht uw ziel eens komen. Dat Christus Zich aan u openbare.
Hoezeer behoefden de discipelen ook de toepassing der verlossing door Christus teweeggebracht!
Zij zaten met gesloten deuren. De vrouwen kwamen zeer vroeg in de morgen met specerijen naar het graf en zochten de Levende bij de doden.
Hun allen ontbrak het licht over de verrijzenis des Heeren, hoewel zij in Hem geloofden en Hij hun meermalen van Zijn dood en opstanding gesproken had.
Maar Gods volk kan ook niet iets aannemen tenzij het hun van boven gegeven wordt.
Hoe kan de vol-komen verzoening en verlossing voor het oog van Gods volk verborgen zijn.
Een on-verzoend recht drukt hen; een vloekende wet achtervolgt hen; alles, wat genoten en ervaren werd, ontvalt hun; banden des doods omvangen hen.
Zoudt gij het niet ver-staan dat de deuren der jongeren gesloten waren?
Maar die bleven niet gesloten. De verrezen Immanuël deed de Zijnen uit hun graven uitgaan.
Het moge uw tijd eens wor-den, volk van God! Uw tijd, waarin Gods beloften aan u werden vervuld en gij met Thomas zoudt uitroepen: “Mijn Heere en mijn God!”
O, dat gij toch niet langer buiten Christus omdoolde. Hij alleen is de Opstanding en het Leven.
Wat ligt in die opstan-ding toch alles voor Zijn volk. Daarin is de kwitantie des Vaders, dat de schuld der schuldigen is verzoend.
Want Hij is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
In de mor-gen van de derde dag is het hemels pardon uitgeroepen voor de ganse kerk van God.
Zou dan de vrijspraak voor uw ziel verborgen blijven? Zou ons hart zich op Christus niet verlaten?
Is er groter voorrecht in het leven van Gods volk, dan dat de Vader hen vrijspreekt op grond van Christus alleen?
O, gelukkig volk, dat Pasen vieren mocht en vrede vond. Wij hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus, zegt de apos-tel.
Een nieuw paasfeest moge het nog eens worden; een nieuw omhelzen van de ver-rezen Zaligmaker.
Dat de graven van verlating en dodigheid, van wereldzin en vleselijke rust, Gods kinderen werden geopend, opdat zij de lof des Heeren mogen zingen.
Want Pasen is het feest niet van de wereld, maar van Gods volk.
Trekt uw sierlijke klederen aan o Sion. De graven zijn geopend.
Ook de graven van uw druk en tegenheen. Gewis, de verdrukkingen van Gods kinderen zijn vele.
Ook zij gaan door de bange wereldwee-en heen. Maar ziet uw verlossing; uw eeuwige overwinning in Hem, Die het geweld des doods ontbonden heeft.
O, heft uw hoofden op. Hier zijn de doodsschaduwen over het volk van God.
Maar ook de dood is verslonden ter overwinning. Ja, ziel en lichaam heeft Christus gekocht.
Eens daagt de morgen der zalige opstanding, opdat de schare der uitverkorenen eeuwig en volmaakt Gode en het Lam het lied der verlossing zingen zal.
Eens zal geen ongeloof de ziel meer doen twijfelen; geen zonde de vrede meer verstoren; geen gemis doen klagen; geen druk meer benauwen.
De Heere zal de tranen van de ogen van Zijn volk eeuwig afwissen, en Zijn duurgekochte Kerk met eeuwige blijdschap kronen.
Mocht op het paasfeest van die volkomen verlossing enige vrucht in onze harten zijn tot roem van Hem Die is dood geweest en Hij leeft en is levendig in alle eeuwigheid.

Wijlen ds. G. H. Kersten (1882-1948), in leven o.a. predikant van Rotterdam-Centrum.