PINKSTEREN

Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.

1 Petrus 1 vers 24b-25a

Deze woorden zijn een gedeelte van de rede welke Petrus hield op het pinksterfeest te Jeruzalem.
In deze tekst ligt zowel het wonder van Hemelvaart als Pinksteren verklaard.
‘Hij dan’, namelijk de Heere Jezus, Die zich vernederde tot de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, ‘door de rechterhand Gods verhoogd zijnde.’
Reeds bij de opstanding was de Middelaar uit de staat Zijner vernedering overgegaan in die Zijner verhoging.
Als de opgestane Levensvorst en het Leven Zijner gemeente had Hij zich geopenbaard en verklaard aan de discipelen.
En nu, na Zijn verblijf van nog 40 dagen op aarde, is Hij uitermate verhoogd.
Petrus zegt: ‘Verhoogd door de rechterhand Gods.’
Volkomen voldoening had Hij gegeven aan de eis der Goddelijke gerechtigheid.
Goedertierenheid en waarheid hadden elkander ontmoet en gerechtigheid en vrede elkander gekust.
Gods eeuwig welbehagen tot zaligheid der Zijnen kan en zal door Zijn hand nu gelukkiglijk voortgaan.
Maar ook was Zijn werk op aarde nu voleindigd.
Een volkomen zaligheid is Zijn volk bereid en door Gods rechterhand is Hij verhoogd opdat Hij als de verheerlijkte Middelaar de verworven weldaden Zijn volk zou toepassen.
En één der grootste weldaden welke Hij voor Zijn gemeente verwierf is de zending van de Heilige Geest.
Deze was Hem beloofd van de Vader.
Als loon op Zijn arbeid heeft Christus Zijn gemeente verkregen en opdat die gemeente tot Hem zou gebracht en met Hem verenigd, was de Geest beloofd, opdat deze de harten der afkerigen tot Hem zou bekeren.
Deze Geest was als de Trooster aan de discipelen toegezegd.
Zie Joh. 14:16: “En ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid, namelijk de Geest der waarheid.”
En in vs. 26: “Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijnen Naam, die zal u alles leren en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.”
In gelovige verwachting was door de discipelen naar de vervulling van deze belofte uitgezien.
In gehoorzaamheid aan Jezus’ bevel om in Jeruzalem te blijven totdat ze zouden zijn aangedaan met kracht uit de hoogte, waren de discipelen eendrachtig bijeen, volhardende in het bidden en smeken.
O, mocht zo eens meer naar Pinksteren worden uitgezien.
Zeker, grote weldaden waren de discipelen geschonken.
Ze hadden Jezus mogen volgen van vernedering in verhoging, hadden Hem door het geloof omhelsd als de Borg hunner zielen, ja, ze hadden Hem nagestaard toen Hij de toegang opende tot het eeuwig Vaderhuis.
Maar, ze moesten voort. Strijd, veel strijd en droefenis wachtte nog voor ze door de dood met hun Meester weer verenigd zouden worden.
Strijd met de vijanden van buiten, doch ook met die van binnen.
De satan die weer zou proberen Gods werk verdacht te maken, het ongeloof dat nooit zijn kracht verliest, de verdorven natuur die ze bleven meedragen en de begeerten der zonden.
Neen, in eigen kracht zouden ze niet staande kunnen blijven.
Een Trooster, een Leidsman, de Geest der Waarheid was hen onmisbaar.
O, als dat gemis eens levendig en beleving wordt.
Om met de wetenschap der ziel Christus als ons deel te hebben een blijvende Trooster niet te kunnen missen.
Een Geest die alles indachtig maakt, die Gods werk in ons hart verklaart en door Welks kracht we zoeken de dingen die boven zijn.
Neen, Die laat niet ledig.
Dit doet ons, als iets van ’t geloof mag beoefend worden, aan God en de belofte vastklemmen en naar de vervulling uitzien.
Volhardend en biddend.
En niet alleen de discipelen baden doch ook Hij die gezegd had: Ik zal de Vader bidden enz.
En op die bede zal en moet de verhoring volgen. Dan mag het Pinksteren in het hart gaan worden.
Dan geeft God Zijn Geest en gaat deze als de derde Persoon Zich verklaren.
Water wordt er dan gegoten op het dorstige en stromen op het droge en met Petrus roepen we uit: “Hij heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort.”

Wijlen ds. A.F. Honkoop (1921-2008)