Plaatsbekleding

En zij namen Jezus en leidden Hem weg

Johannes 19:16b

Onze tekstwoorden brengen ons op de plaats van het gericht. Voor de rechterstoel van Pontius Pilatus is al urenlang een slepend proces gaande.
De spanningen lopen hoog op. Een woedende menigte eist de dood van Jezus van Nazareth.
‘Een muitgespan heeft Hem ten prooi verkoren’.
De geschiedenis is ons bekend. Pilatus weet er geen weg mee, en uiteindelijk geeft hij Hem over aan het volk om gekruisigd te worden.
En dan staat er zo: ‘en zij namen Jezus’.
Vol bittere haat slaan zij de handen aan Hem.
Aan Hém Die drie jaar lang Zijn handen naar hen heeft uitgestrekt, niet om hen te verderven, maar om hen te behouden.
Nee, het echte werk, de uiteindelijke voltrekking van het vonnis laten ze aan de Romeinen over.
Stel je voor, ze zouden zich verontreinigen en het Paasfeest niet kunnen houden!
Jezus moet dood, maar het féést moet ook door-gaan! Hun godsdienst ligt hen na aan het hart.
Maar het is een godsdienst zonder God, en zonder Jezus. De Romeinse soldaten hebben Jezus genomen en het kruishout op Zijn kapotgeslagen rug gelegd.
Met harde hand wordt Hij in de richting van Golgotha gedreven.
Als een Lam wordt Hij ter slachting geleid.
Ieder woord in de lijdensgeschiedenis is een woord van gewicht.
Achter ieder woord schuilt een heiligdom. Zo is het ook met de woorden ‘en zij namen Jezus en leidden Hem weg’.
Hier voltrekt zich de zalige ruil waar Luther van gesproken heeft.
Christus gaat hier in de plaats van al de Zijnen.
Iedere voetstap die Hij zet op de Via Dolorosa bevat dezelfde boodschap: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’.
En daarin is Hij zo onuitsprekelijk dierbaar voor een volk dat het waardig is om voor eeuwig weggeleid en gevonnist te worden.
Als het ergens zichtbaar wordt dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede, dan is het wel in de lijdensgangen van Christus.
En daarom zal onze ziel ook niet eerder vatbaar zijn voor de troost die er vloeit uit de Borgtocht van de Middelaar, dan wanneer wij oog in oog komen te staan met een God Die om Zijn recht komt.
Wat zijn het bange ogenblikken als de schuld tussen God en onze ziel wordt opengelegd.
Wat zijn het bange ogenblikken als de eisen van de wet over ons leven gaan en wij moeten uitroepen: ‘Ik kan de prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen’!
Dan loopt het vast en komt een mens aan een eind. Dan kan het naar Gods rechtvaardig oordeel maar één kant uitvallen.
En hoe wonderlijk is het in de ziel gesteld als God het in die ogenblikken ook niet meer verkeerd kan doen.
Waarom niet?
Omdat de liefde Gods de ziel heeft overgehaald om zich onvoorwaardelijk uit te leveren.
De liefde is immers het enige wat de zondaar buigen doet! Zo’n mens valt God toe en keurt zich het vonnis waardig.
Die leert ‘Amen’ zeggen op de straffen van Zijn ongerechtigheên.
Maar nu het onbevattelijke wonder, als er dan bij God vandaan een geheim ontsloten wordt.
Als God Zelf door Woord en Geest de ziel gaat inleiden in dat wondere geheim van de plaatsbekleding.
Dan kunnen woorden die je jarenlang als in het voorbijgaan gelezen hebt met een wonderlijke zoetheid in je ziel worden afgedrukt: ‘en zij namen Jezus en leidden Hem weg’.
Hij weggeleid! Hij Die geen zonde gekend noch gedaan heeft.
Dan gaat zo’n ziel de woorden spellen.
En naar mate dat het geloof door de Heilige Geest in oefening wordt gebracht, mag de veroordeelde zondaar zich verliezen in Jezus’ borgtocht.
Hoe wonderlijk is het in de ziel gesteld als God het in die ogenblikken ook niet meer verkeerd kan doen.
Waarom niet?
Omdat de liefde Gods de ziel heeft overgehaald om zich onvoorwaardelijk uit te leveren.
En dan zal het voor de één een zoete ontsluiting in de mogelijkheid van zalig worden inhouden, terwijl een ander er de krachtige verzekering en de bewuste toepassing ontvangt.
Maar beider oog is in die ogenblikken zalig van het zien.
De lijdensweken prediken ons het geheim van de borgtocht.
Een Ander in mijn plaats. Daar komt het op aan.
Waar dit gemist wordt, en wij alleen met onszelf voor Gods geduchte rechterstoel moeten verschijnen, daar zal het zo eeuwig tegenvallen.
Dan zullen wij worden weggeleid. Weggeleid naar de buitenste duisternis waar wening zal zijn en knersing der tanden.
Bedenk daarom, ook in deze lijdenstijd, wat tot uw vrede dient.
Laat het toch uw bede zijn: ‘Red mij door Uw gerechtigheid’.

Ds. A. T. Huijser (Sliedrecht)