“Toen kwamen zij te Mara.”

Exodus 15:23a

Het volk van Israël wacht een zeer pijnlijke teleurstelling. De HEERE heeft hen door Zijn hand wonderlijk verlost uit Egypte. Israël heeft daarin de hand des HEEREN gezien (14:31) en het volk vreesde de HEERE, en geloofde in de HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.

Van die wonderlijke verlossing hebben Mozes en de kinderen Israëls gezongen: ‘Ik zal de HEERE zingen, want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.’ Het is geen wonder dat Mirjam en de vrouwen met dit lied instemmen. En nu, verlost uit Egypte, menen ze rechtstreeks naar het beloofde land Kanaän te gaan. De HEERE leidde hen immers door Zijn weldadigheid en daarom zingen ze ook: ‘Gij voert hen zachtjes door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.’ Maar in plaats van gevoerd te worden tot de liefelijke woning van Gods heiligheid voert de HEERE hen … in de woestijn! Dat is een bittere teleurstelling! Maar: De HEERE zal in eeuwigheid en altoos regeren! Ja, en dat betekent de woestijn in en zonder water. Drie dagen lang geen water om te drinken voor die grote menigte met daarbij nog de vrouwen en de kinderen. De hitte van de zon op hun hoofden en het brandend hete woestijnzand onder hun voeten. En dan komen ze bij Mara en daar vinden ze water, maar het is niet te drinken, het is bitter.

Na zoveel genade en liefde Gods te hebben mogen ervaren, nu in de dorre en droge woestijn van dorst sterven? Dan gaat het volk murmureren. Tegen Mozes. Ten diepste tegen de HEE­RE: ‘Wat zullen wij drinken?’ Wij hebben een ondraaglijke dorst na die drie dagen durende woestijntocht en dit water is bitter. O, wat een opstand en vijandschap openbaart zich hier tegen de HEERE, Die betoonde hun God te zijn door hen uit het diensthuis van Egypte uit te leiden. In plaats van nu op Hem te vertrouwen, Die de wateren van de Rode Zee door het geblaas van Zijn neus ophoopte, en Die machtig is zelfs uit het hete woestijnzand vers en stromend water te doen opspuiten of uit de steenrots het water te doen vloeien, komt hun vijandschap openbaar.

Kent u dat? Door de HEERE verlost uit de dienstbaarheid van de zonde. De genade Gods in Christus geproefd en gesmaakt; de liefde tot God als een vuur in het binnenste gebrand, waardoor we iedereen wel zouden willen toeroepen: Zingt de HEERE. En dan: als die eerste liefde verflauwt, minder wordt en we de dorheid en dodigheid van ons eigen bestaan leren kennen, wat kan dan de vijandschap het hart verteren. Moet het nu zo? Waarom niet langs de kortste weg naar Kanaän? Waarom deze bitterheid? Waarom heeft de HEERE mij met bitter­heden verzadigd? Waarom heeft Hij mij met alsem dronken gemaakt, dat wil zeggen: mij met angst, kruis en droefheid bedeeld?

Weet u waarom? Opdat u zou leren niet alleen in voorspoed op de HEERE te vertrouwen, maar ook in tegenspoed. En u onvoorwaardelijk zou leren bukken en buigen en doen volgen in de weg die de HEERE voor u uitgedacht heeft, opdat Hij daarin verheerlijkt wordt. Daarom, opdat u zou leren zingen: Hoe het ook moge tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid hopen. Hij weet wat goed voor u is. Want de kortste weg naar Kanaän is niet de veiligste weg, want daar zijn de Filistijnen, die u van het leven beroven. De lange weg door de woestijn, met alle bitter­heid daaraan verbonden, is een vleeskruisigende weg, maar nochtans een profijtelijke weg, waarin God aan Zijn eer komt, de mens leert sterven aan zichzelf, de zonden gedood en het leven in Christus gevonden en het leven uit Christus als de Levensbron gesmaakt wordt.

Mara doet het volk in ongeloof murmureren, maar Mozes roept tot de HEERE. Als de Midde­laar van het Oude Verbond roept Hij de Naam des HEEREN aan. Hij treedt tussen het murmur­erende volk en de heilige God. En de HEERE betoont Zijn genade door hem een hout te wijzen, dat hij in het water werpt, waarop het water zoet wordt.

Onder de bitterheden van het leven kunnen de wolken van ongeloof en opstand zo dik zijn, dat ze het zicht op de genade Gods verduisteren. Maar, wat een wonder! De Kerk heeft een Voorbidder in de hemel. Hij, Die de bitterheid van de zonde en het ongeloof heeft gepeild tot in de diepste diepten en het aan het vloekhout van Golgotha heeft uitgeroepen: Mij dorst. Daarom zegt Johannes: Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader,  Jezus Christus, de Rechtvaardige en Hij is een verzoening voor onze zonden.

Hebben wij zo’n Voorbidder? Of drinken wij ons nog dood aan het bittere zondewater van deze wereld? Of houden we onszelf met onze eigengerechtigheden op de been? O, dan zal de bitterheid van de zonde ons tot in alle eeuwigheid in het aangezicht vliegen en zal het in onze oren zonder ophouden dreunen: Mara, Mara, Mara!

U, die de bitterheid van de zonde hebt leren kennen en uw Mara’s in dit leven moet ondervin­den, wanhoopt niet, want: Toen (op Gods tijd) kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren. Waarom? Want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

ds. W. Silfhout