Toen nam Hem de duivel mede …

Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad en stelde Hem op de tinne des tempels.
En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts

Mattheus 4:5 en 6a

Christus was door Johannes in de Jordaan gedoopt.
Christus was ondergegaan in de Jordaan en weer uit het water gekomen.
Zo zou Zijn weg zijn: door lijden tot heerlijkheid. Toen sprak ook de Vader: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik al Mijn welbehagen heb.”
Hier werd Christus aangewezen als de Middelaar.
Nu zouden de laatste drie jaren van Zijn Middelaarswerk aanbreken.
Nu zou Hij gaan betalen aan de gerechtigheid van God.
Over drie jaar zal de kop van de duivel vermorzeld worden op Golgotha.
Na de doop wordt Christus “van den Geest weggeleid in de woestijn” (Matth. 4:1).
Daar wordt Hij verzocht door de duivel. Moet dit nu het eerste Middelaarswerk zijn na de doop in de Jordaan?
Was het niet beter geweest als Christus aan de oevers van de Jordaan een ontroerende preek over Zijn werk op aarde had gehouden?
Nee! Christus wilde Zich gewillig stellen onder de verzoeking van de duivel.
Wat was immers de eerste zonde van de mens in het paradijs? Dat de mens de verzoeking van de duivel niet kon weerstaan.
Nu laat Christus Zich als Borg verzoeken, om de wortelzonde van Zijn Kerk te verzoenen.
Matthéüs schrijft in vers 5 dat Christus Zich mee laat voeren met de duivel, zoals een vader zich mee laat trekken door een klein kind.
Wat zien we hier de gewilligheid van Christus. Hij wilde Zich laten verzoeken om een schuldige Kerk te kunnen redden.
Verzoekingen van de duivel. Ze zijn er om ons heen.
De duivel lokt en trekt naar de wereld en de zonde. Hij probeert een mens altijd af te trekken van de ernst van het leven.
Heeft u de macht van de duivel en de kracht van de zonde al als een last ervaren?
Van nature laten we ons zo gemakkelijk meelokken. Dan gevoelen we het Godonterende van de zonde niet.
Gelukkig is de mens die de zondelast mag gevoelen door de ontdekkende werking van de Heilige Geest.
De duivel neemt Christus mee. Waarheen? Naar de tempel, de kerk!
De duivel kan ook in de kerk zijn. Dan trekt hij mensen bij het Woord vandaan.
Dan dwalen de gedachten af onder de preek. Of hij laat een kerkmens heel kritisch luisteren naar de preek, zodat die mens zijn eigen ziel vergeet.
Hij kan kerkmensen ook een hele dienst na laten denken over tocht in het kerkgebouw, de temperatuur, een onhandige organist…
Als de duivel een mens maar kan aftrekken van de ernst van het Woord!
Christus wordt op de tinne van de tempel gebracht. Dat is de zuidoostelijke hoekmuur van het tempelplein.
Daar staat de Middelaar op de hoge muur. Aan de ene zijde is het 150 meter diepe Kedrondal.
Aan de andere kant het tempelplein. Mensen gaan en komen. Offerdieren worden meegetrokken naar het altaar.
De priesters en de Levieten zijn aan het werk. Ginds rookt het brandofferaltaar.
Op de muur staat het Lam van God. Dan gaat de duivel spreken: “Indien Gij Gods Zoon zijt…”
Hij betwijfelt wat de Vader kort daarvoor bij de doop in de Jordaan had gesproken:
“Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde…”
De duivel betwijfelt het gesproken Woord van God. Dat deed hij al in het paradijs: “Is het ook dat God gezegd heeft…?”
Dat deed Hij ook door de spotters rondom het kruis: “Indien Gij Gods Zoon zijt.”
Hij zaait nog twijfel in het hart over de woorden die God in het leven van Zijn kinderen heeft gesproken.
“Werp Uzelven nederwaarts…” Naar welke kant heeft de duivel gewezen? Wees hij naar het diepe Kedrondal of naar het tempelplein met de krioelende mensenmassa?
Hij had niet het Kedrondal op het oog, want in de woestijn waren nog diepere ravijnen.
Dan had hij Christus niet naar de tempel gebracht. De duivel wijst naar het tempelplein. ‘Spring naar beneden, dan zullen de engelen komen en U op hun vleugels dragen’.
De duivel ziet het graag als volgt gebeuren: Christus springt naar beneden, de mensen op het tempelplein kijken verbaasd omhoog, engelen dragen Hem op wonderlijke wijze en dan zal er een gejuich losbreken op het tempelplein: Dit is onze Messias!
Is dit een verzoeking? Jazeker, de duivel wijst de Heere Jezus de kortste weg naar de overwinning aan.
De satan wijst een weg aan zonder lijden. Dat was een diepe verzoeking.
Om de deugden van de Vader te verheerlijken en zondaren zalig te maken moest het echter door lijden tot heerlijkheid gaan.
Maar ook hier blijkt de gewilligheid van de Zaligmaker.
Hij weerstaat de verzoeking. Christus overwint.
Zonder lijden tot heerlijkheid. Dat wilde Petrus ook, toen de Heere Jezus ging spreken over Zijn lijden.
Toen zei Petrus: “Dat zal U geenszins geschieden.” Gods kinderen willen niet sterven aan alles wat buiten Christus is.
Daar moeten ze voor ingewonnen worden. Ze moeten leren kruisdragen achter Christus.
Daarom zei Christus tegen Petrus: “Ga weg achter Mij, satanas”.
De Heere Jezus hoorde uit de mond van Zijn kind Petrus dezelfde klanken als Hij hoorde van de duivel op de tempelmuur.
Ondanks de duivel, het onbegrip in het leven van Zijn kinderen, vervolgde Christus Zijn lijdensweg naar Golgotha, Hij wilde lijden uit liefde tot Zijn Vader, uit liefde tot Zijn volk.

Ds. C. Neele