Waarheen reist u?

Wij reizen naar die plaats, van welke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons

Numeri 10:29m

Deze woorden sprak Mozes tot zijn schoonvader Hobab, ook wel genoemd Jethro.
Toen Mozes met het volk bij de berg Sinaï verbleef, was Jethro met Zippora, Mozes’ vrouw en zijn twee zonen tot hem gekomen.
Maar als de Heere opdracht aan Mozes geeft om de reis voort te zetten, wil Jethro teruggaan naar Midian.
Hij probeert zijn schoonvader te overreden om mee naar Kanaän te gaan.
Een gedeelte van dit gesprek vormt onze tekst. Mozes mag zeggen dat de Heere voor hen een plaats bereid heeft.
Kunnen wij dat ook zeggen? Naar welke plaats reizen wij?
Er is een tweeërlei bestemming van onze levensreis: de plaats van eeuwig licht of de plaats van de eeuwige duisternis.
Een derde mogelijkheid is er niet.
En daarom is de opmerking van Mozes onze aandacht meer dan waard.
Wij reizen…… Dat doen wij ook. Zeker nu de vakantie is aangebroken, wordt er veel gereisd en vele kilometers afgelegd.
Misschien bent u al een hele tijd bezig geweest met de voorbereidingen.
Papieren worden in orde gemaakt, regelingen worden getroffen en afspraken voor hier en daar worden gemaakt.
Maar hoe staat het met uw reis naar de eeuwigheid?
Reist u al naar de plaats waarvan de Heere gezegd heeft dat hij u die, om Christus wil en verdienste, wil geven?
Dat is een genadeweldaad.
Immers van nature reizen we naar de plaats die wij verdiend hebben.
Door de zonde hebben wij de hemel gesloten en liggen we verloren in zonde en schuld.
We hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Christus spreekt op een ontroerende wijze over de toekomst van de mens zonder en buiten God: “Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden.”
De plaats der duisternis hebben wij verdiend. Maar, o eeuwig wonder van genade, nu is er ook een andere plaats.
Voor die plaats heeft de Heere Zelf gezorgd en Hij schenkt die aan verloren zondaren.
Zondaren, die belijden en beleven de eeuwige ondergang verdiend te hebben, maar uit genade, om Christus’ wil, tot kinderen Gods worden aangenomen.
Een volk dat getrokken wordt uit de duisternis der verlorenheid en gebracht wordt tot Gods wonderbaar licht.
Dat van de brede weg, die naar het verderf voert, afgebracht wordt en gezet wordt op de smalle weg, die ten leven leidt.
Is dat in uw leven al gebeurd? Hebt u de dienst aan satan en zonde al door genade mogen opzeggen? Bent u al van reisdoel veranderd?
Mag u al tot dat volk behoren, dat met Mozes wel eens geloven mag te reizen naar de plaats die de Heere gegeven heeft?
Dat is een reis die niet altijd even aantrekkelijk is.
Het is immers een reis door de woestijn. Dan kunnen er ogenblikken zijn dat gevaren en moeiten ons zo bezetten, dat we vrezen nog om te zullen komen.
In de woestijn is er het roofgedierte.
Daar raakt de voorraad die we meenemen op. Daar wordt het ingeleefd:

‘O Heer’ mijn ziel en lichaam hijgen,
En dorsten naar U in een land,
Dat, dor en mat, van droogte brandt,
Waar niemand lafenis kan krijgen.

O, daar kan honger en dorst worden geleden en allerlei moeiten en kruis ervaren worden.
Nee, de woestijnreis naar het land dat de Heere geeft is voor Gods kind lang niet altijd gemakkelijk.
Ze zijn het dan ook vaak niet met die weg, die reis, eens.
In de woestijn is er ook vaak de murmurering, de opstand, het oneens zijn met de Heere.
Maar de Heere vergeet ze niet, al ervaren ze dat niet altijd.
De schuld hiervan ligt niet bij de Heere, maar het komt omdat ze te weinig omhoog zien.
Boven hen hangt immers de wolk- en vuurkolom. Niet één dag of nacht is dat teken van de nabijheid des Heeren er niet geweest.
En als ze weer op hun plaats aan Zijn voeten gebracht worden en de Heere hen de vraag stelt of het hen aan iets ontbreekt, moeten ze, zich wegschamend, betuigen: ‘Nee Heere.’
Dan mag met Psalm 99 ingestemd worden:

“Gij met hen begaan, Hebt hun wens voldaan;
Heer’, Die naar Uw Woord, Hun gebed verhoort,
Gij, Gij waart hun lot, Hun vergevend God;
Schoon z’ om hunne zonden, Straffen ondervonden.”

Gemeente, jongeren en ouderen, waarheen reist u, waarheen reizen jullie?
Bedenk, dat de levensreis spoedig ten einde kan zijn.
Het leven is maar een handbreed gesteld. Dat we dat niet vergeten zullen, ook in vakantietijd niet.
Laat ons de vakantietijd zien als genadetijd, om juist als de drukte van het dagelijks werk even van de schouders glijdt, ons te meer in te spannen, om God te zoeken en onze ziel uit te dragen als een buit uit dit moeitevolle leven.
Mozes mag getuigen dat hij reizende is naar het land dat de Heere hem gegeven heeft.
O, dat we dan geen rust zouden hebben, ook in de vakantietijd niet, voor we het mogen weten, reizigers te zijn naar het hemels Kanaän.
Dat is het land waarvan Christus Koning is.
Het is het land dat Hij verdiend heeft voor de Zijnen door Zijn plaatsbekledend lijden en sterven.
Maar dan zal ook vanuit de gunning én het besef van de noodzaak om gered te worden, tot de naaste gezegd worden: “Ga met ons.”
Wat zou het een wonder zijn als we aan het eind van de vakantie horen mogen dat jongeren en ouderen door het wonder van Gods opzoekende genade van reisdoel mochten veranderen en getuigen konden:

“Daar zal ons ’t goede van Uw woning,
Verzaden, reis op reis.”

Wijlen ds. B. van der Heiden