Waarom Gods kinderen en knechten schuld belijden voor en met het volk

“En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.”

Ezra 9:6

 

Met het woord ‘onze’ eigent Ezra deze ongerechtigheden zichzelf en het Joodse volk toe, zeggende: ‘onze ongerechtigheden’ en ‘onze schuld’. (…) Iemand zou hier kunnen vragen of zich dan ook Ezra aan die gruwelen had schuldig gemaakt, omdat hij zichzelf hiermede insluit door het woordje ‘ons’.
Nee toehoorders, zoals hier in eigenlijke zin voorkomt, geenszins. Misschien zult ge dan denken: wel, is dat dan zulk een reden om daarover zo beschaamd en verlegen te zijn, als de man Gods zich daaraan niet schuldig gemaakt had? Ja toehoorders, zo teder is het hart van Gods kinderen dat zij verlegen en beschaamd zijn over de zonden van hun evenmensen.
Hoor wat David daarom getuigt in Psalm 119:136: ‘Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden’. Doch behalve dat was Ezra mede een aanzienlijk deel van de Joden, die als een geheel aangemerkt werden, daarom werd hetgeen door sommigen in het bijzonder bedreven werd, de gehele menigte aangerekend. Lees eens Daniël 9 en ziet hoe die profeet zich de gruwelijke afgoderij aantrok waaraan zich het volk bezondigd had.
Daniël deed er belijdenis over even alsof hij zichzelf ook daaraan had schuldig gemaakt. ‘Wij’, zegt hij, ‘hebben gezondigd en goddelooslijk gehandeld; wij hebben niet gehoord naar de mond Uwer knechten; bij ons is de beschaamdheid des aangezichts.’ Op een dergelijke wijze deed Ezra hier ook belijdenis van de zonden van zijn volk en trok zich die aan, voor zover hij een deel van het volk was. Ezra was echter ook een priester en daarom was hij verplicht voor het volk bij God in te staan.
De Heere had gewild dat de priesters de zonden van het volk op zich nemen zouden. Aangezien hij dan een priester was, zo had hij dan de zonden van het volk te dragen en merkte die als zijn eigene aan. Daarom was hij ook zo verlegen dat hij zei: ‘Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel’. (…) Hoeveel treffelijker Ezra geweest is, hoeveel te meer moet hij ons ook verstrekken tot een voorbeeld om hem na te volgen.
Beschouw eens deze man en vergelijk uzelf er eens bij, of gij zelfs niet méér reden hebt om in verlegenheid uit te roepen: ‘Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God!’ dan Ezra. (…) Misschien zoudt ook gij eens beschaamd en schaamrood worden voor de Heere, opdat het u tot waarachtige bekering mocht uitdrijven en gij nog bekeerd mocht worden éér het te laat zal zijn. Wat u betreft, gelovigen, och, dat gij ook eens tot de Heere zou komen met zo’n nederige en verlegen schaamte als Ezra hier deed! Wie weet wat God nog doen zou! De Heere bereide u allen daartoe, Hij geve u nederige harten, Hij doe u in schaamte en ootmoed voor Zijn voeten komen en Hij bekrone u met Zijn gunst, hier en hiernamaals voor eeuwig.

Uit: Ds. Joannes Beukelman, ‘Twintig keurstoffen’ (Stuut, Rijssen, 1979)