Wat vergaat en wat blijft

1  Petrus  1  vers 24b – 25a

Wat vergaat
Petrus tekent in deze tekst hoe vergankelijk de mens is.
Hij is als gras. Als gras in het land van de Bijbel, dat heden staat en morgen in de oven wordt geworpen.
Gras dat in de morgen van de dag er fris en groen bijstaat maar dat eer dat het avond is, staande onder de felle zon, verdort en bruin is geworden.
Zo onbruikbaar dat het de volgende dag in de oven wordt geworpen.
Dat is ons leven. Als gras.
Vandaag bloeit het maar morgen is het al vergaan. Dat is ons leven. We zijn van gisteren en weten niets.
We vliegen door dit leven heen naar de dag van onze dood.
We reizen met rasse schreden naar de grote Godsontmoeting.
En dan…? Door onze diepe val zijn we allemaal vanaf het uur van onze geboorte reizigers naar de dood en de eeuwigheid.
En hoe lang ons leven, onze genadetijd is, weten we niet.
Maar Gods Woord spreekt telkens over een haasten en spoeden om ons levens wil.
Want ons leven is maar als een damp en de dood wenkt ieder uur.
En dan maakt een leeftijd niet uit. En hoe zal dan mijn einde zijn?
Als het kaf dat met onuitblusselijk vuur verbrand zal worden?
Of mogen we dan uit vrije genade als een gerijpte korenschoof om Jezus’ wil worden ingezameld in de hemelse schuur,
om daar eeuwig te zingen van Gods vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog en van Zijn eeuwig welbehagen dat de enige oorzaak is van uw eeuwige zaligheid?
Onze tekst spreekt over nog iets dat vergaat. Namelijk de heerlijkheid des mensen.
Dat is alles wat een mens na zijn val nog van de Heere krijgt.
De kanttekening zegt: “Datgene waarmede God de natuurlijke mens in Zijn goedertierenheid nog versiert.”
Dan kunnen we denken aan gezondheid, wijsheid, eer, aanzien, rijkdom, gaven, talenten.
Ja, alles wat we kregen aan aards bezit, eten, drinken, kleding, liefde, geborgenheid, rust en veiligheid.
Het is het, in uitwendige zin, overladen worden met Gods gunstbewijzen.
En wie kan ontkennen dat hij daar niet in mag delen?
En toch is dat alles maar als een schone bloem die op het open veld staat.
Onbeschermd. Een windvlaag en dan knakt de steel van de bloem.
Vervolgens verdwijnt de schoonheid van de bloem. En even later kent en vindt men de standplaats van die prachtige bloem niet meer.
Wat vergaat. Alles wat we op deze aarde hebben en bezitten, moeten we bij het sterven achterlaten.
Het verliezen van de schoonheid van onze gezondheid en krachten, ja soms zelfs van ons verstand, kan in dit leven bij het ouder worden al zichtbaar worden.
En als een mens sterft, jong, bij een ongeluk, na een ernstige ziekte, kunnen we niets meenemen.
Dan moeten we het echt alles aan anderen overlaten.
En als we dan in dit leven niet in een weg van sterven en verliezen iets ontvingen van dat goed dat nimmermeer vergaat en eeuwig blijft, dan zal het gemis daarvan ons een eeuwige nacht baren.
Wat vergaat, ten diepste alles buiten het genadewerk Gods in Christus door de Heilige Geest.
Kom, hoe staat het met u, jou, mij op reis naar de eeuwigheid?
Wat hebben al Gods bemoeienissen en roepstemmen in ons leven met ons gedaan?
Wat is de vrucht op de prediking? Hebben we nog nooit leren buigen voor de Heere?
Het nooit voor Hem mogen verliezen? Zijn we nooit als een arme, doemwaardige zondaar gebracht aan de voeten van de Zaligmaker?
Dan zijn we nog steeds nameloos arm. En dan niet meer te zijn dan gras en dan een bloem.
Eigenlijk elk ogenblik in gevaar. Elk ogenblik te kunnen sterven en dan vallen van een top van eer in eeuwige verwoesting neer.
Moge de ernst van deze dingen wegen gaan op ons aller hart.

Wat blijft
De tekst zegt niet alleen wat vergaat, maar ook wat blijft: het Woord des Heeren.
De Bijbel. Al worden er veel aanslagen op gepleegd.
Al probeert de boze, ook van dicht-bij, via andere vertalingen ons een vertaling te geven waar de diepte en de scherpte van de zuiverheid van Gods Woord uit gaat wegebben.
Toch mag onder ons dat zuive-re Woord des Heeren in de Statenvertaling nog zijn en mag daaruit nog gelezen en gepredikt worden.
Dat Woord dat het middel bij uitnemendheid is, waardoor de Heilige Geest nog verloren, verkoren zondaren zalig maakt.
O, wat gelukkig blijft, ook al gaat een predikant weg, is het middel ter zaligheid.
Gods Woord, waar de Heilige Geest zich nog aan paren wil en zal, zolang zon en maan bij het nageslacht ten licht zullen wezen.
Want zo lang gaat de Heere nog door om verloren Adamskinderen, zalig te maken en dat naar het vrije van Zijn welbehagen.
Wat blijft, is dat Woord des Heeren waarin ware missende zielen, in de weg van het zoeken, mogen vinden dat goed, het leven, dat blijft tot in eeuwigheid.
Wat blijft is het Woord des Heeren, waardoor de Heere door de kracht van Zijn Geest Adamskinderen leert dat ze inderdaad gras zijn.
Dat ze moeten sterven en de eeuwige dood daarna verdienen.
En daar leren de door Gods Geest bearbeide zielen zo hartelijk onder buigen.
Dat Woord dat blijft gaat hen, door de Heilige Geest, ook tonen dat alles op deze aarde niet meer is dan een vergankelijke bloem, waar al de glans voor hen vanaf gaat.
Dat alles kan hun hart niet meer vervullen.
Dat worden missende men-sen, die een onbekende God, Die het ware Goed kan geven, gaan achterna schreeuwen.
Dat worden bedelaars aan de genadetroon. Eeuwig wonder als zulk onwaardige bedelaars, niet om hun bedelen, maar uit genade, om Jezus’ wil, in de weg van het buigen onder God, iets ontvangen mogen uit de volheid van het genadeverbond.
Dat maakt hen waarlijk verwonderd en rijk.
Dan mag dat Woord des Heeren opengaan en dan mag iets van de grote inhoud van dat Woord, Christus, het Woord met een hoofdletter, aanschouwd worden.
En dat is het mensdom meerder waard dan het fijnste goud op aarde. Zie, en dat werk dat door het Woord des Heeren en door de Heilige Geest gewerkt wordt, dat blijft, en dat zal naar Gods welbehagen door Christus’ hand gelukkiglijk voortgaan.
En omdat dát blijft, is het niet hopeloos, ook niet in de bange tijd waarin wij leven.
Gods werk gaat door totdat de laatste der uitverkorenen zal zijn toegebracht.
En kinderen des Heeren, wat blijft: het Woord des Heeren, dat door de Heilige Geest u zal leren, leiden, onderwijzen, troosten en bestraffen naar dat nodig is.
Ja, dat Woord des Heeren, Christus, de grote inhoud van dat Woord, blijft.
Want Jezus Christus is gisteren en heden en tot in der eeuwigheid Dezelfde.
Wat een troost als een mens weggaat of zelfs kan vergaan, dat Gods Woord blijft.
Dat Woord dat wijs kan maken tot zaligheid. Daarom tot slot: het belangrijkste blijft!

ds. A. Ver-schuure