Zijn liefde eerst

“Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.”
1 Johannes 4:19

 

Geliefden, Gods liefde werkt het goede in de mens, die er het voorwerp van is. Zijn kracht en wil vallen samen: wat Hij wil, werkt Hij. En als de tijd der minne of der zich openbarende liefde komt, komt ook de tijd van Zijn kracht: “Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht”.  Zijn liefde heeft een dringende kracht: “de liefde van Christus dringt ons” en Zijn liefde heeft een trekkende kracht: “Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid”. Hij trekt met ‘de touwen der liefde’ en daarmee trekt Hij het hart tot Zich in liefde. Vandaar dat nooit een ziel de zoetheid van Zijn eeuwigdurende liefde heeft gesmaakt, die niet tegelijkertijd de kracht ervan heeft gevoeld, die het hart verwarmt en daar het vuur der liefde ontsteekt. O, hoe breekt Zijn machtige liefde de kracht van hun machtige vijandschap! Als er ooit vergevende genade en liefde bekendgemaakt werd, zou het dan de begenadigde ziel niet betamen om de kwijtschelding met tranen van vreugde te lezen en veel lief te hebben als er veel vergeven was? (vgl. Luk. 7:47). Kunnen zij ‘die naar Zijn voornemen geroepen zijn’ iets anders verkiezen dan Hem lief te hebben? “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft”. Zie ook het verschil tussen Gods liefde tot de vromen en de liefde der vromen tot God. Inderdaad: hun wederzijdse liefde stemt in vele dingen overeen. Zijn liefde tot hen is een liefde van welgevallen, Hij heeft een welbehagen in hen – en hun liefde tot Hem is ook een liefde van welgevallen, zij hebben een welbehagen in Hem. Hij heeft hen lief in Christus en zij hebben Hem lief in Christus.

Maar toch is er een hemelsbreed verschil tussen Zijn liefde en die van hen. Zijn liefde is eeuwig, hun liefde is maar van de dag van gisteren. Zijn liefde is de eerste oorzaak, hun liefde is het natuurlijk gevolg van de Zijne. Zijn liefde is voorafgaande liefde, zij gaat vóór die van hen uit, zoals een vader al van zijn kind houdt als het kind zijn vader nog niet kent, laat staan van hem houdt. Ja, de vromen zijn van nature haters van God. En waarlijk: alles moet aan Zijn kant beginnen. “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad”, ja, Zijn liefde gaat niet alleen aan de onze vooraf, maar aan alles wat in ons beminnelijk is: “God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.” De zonde heeft al het lelijke en ongewenste in zich wat er in een schepsel kan zijn; toch heeft Hij lief – onze liefde is dan ook een liefde die daaruit voortvloeit.

Omdat Zijn liefde vrij en eeuwig is, is zij altijd gelijkmatig en onveranderlijk, want Hij Die de Overwinning Israëls is, is geen mens, dat Hem iets berouwen zou (vgl. 1 Sam. 15:29). Maar onze liefde tot Hem is onevenwichtig en veranderlijk, zij gaat op en neer. Zijn liefde is als de zon, altijd dezelfde in haar licht, hoewel er soms een wolk voor kan schuiven; onze liefde is als de maan, wassend en afnemend. Zijn liefde zeg ik, is als de zon, altijd dezelfde in haar licht. Inderdaad, zoals de zon soms achter een wolk schuilgaat, kunnen ook de vruchten en de blijken van Gods liefde veranderen. Nu eens doet Hij Zijn aangezicht lichten, dan weer verbergt Hij Zijn aangezicht, naargelang het voor ons het meest profijtelijk is – maar toch is Zijn liefde als zodanig dezelfde. Aan welke veranderingen de vromen ook onderhevig mogen zijn, hetzij in het zondigen of in het lijden, toch is Gods liefde jegens hen onveranderlijk. O, zou het geen godslastering zijn om te zeggen dat God Zijn kinderen liefheeft, niet alleen als zij de meest strikte gehoorzaamheid betrachten, maar ook als zij zondigen; als dat zo is, wie zal er zich dan om bekommeren om Hem nog verder te dienen?

Het antwoord daarop moet zijn: de liefde Gods als zodanig is evenmin veranderlijk als God Zelf. Maar wat valt daar nog meer van te zeggen? Heeft Hij Zijn kinderen lief in het zondigen? Geenszins: Hij heeft Zijn kinderen lief, niet hun zondigen. Verandert Hij Zijn liefde tot hen? Nee, niet Zijn liefde, maar de blijken van Zijn liefde. Hij straft hen, berispt hen en doet hen diep beseffen dat Hij verbolgen is. Maar wee ons, als Hij Zijn liefde zou veranderen! Nee, Hij is God en verandert niet; daarom zijn de kinderen Jakobs niet verteerd (vgl. Mal. 3:6). Juist de dingen die verandering in Zijn genegenheid schijnen aan te tonen, komen duidelijk voort uit Zijn liefde tot hen, zelfs Zijn kastijdingen en al het andere wat Hij hun toeschikt. Jawel, maar zal dat geen aanmoediging tot zondigen zijn? Er wordt wel eens gezegd: Wie in alle ernst deze tegenwerping kan maken, heeft met zekerheid nooit de liefde Gods ervaren. De leer der genade kan misschien wel verdraaid worden tot een leer van lichtzinnigheid, maar met het beginsel van de genade kan dat niet. Hoewel, zeg ik, onze liefde tot God is een liefde van eb en vloed. Wij zijn nauwelijks één dag hetzelfde; het ene moment is het misschien bij ons: al verloochenen alle mensen U, ik zal dat toch niet! – en toch is het het volgende moment: ik ken die Mens niet.

Ralph Erskine