Zoek eerst ………

Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden

Mattheüs 6 vers 33

Met het woordje ‘maar’ begint onze tekst. De Heere vermaant in het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk Zijn discipelen dat zij niet bezorgd moeten zijn.
Hij wekt niet op tot zondige zorgeloosheid en een onbekommerd leven als van een vlinder, die fladdert van bloem tot bloem, maar Hij wijst hen erop, dat zij niet behoeven te leven als de heidenen.
Hoe leven de heidenen dan?
Zij zijn bezorgd, zeggende: ‘Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?’ (vers 31).
Wij moeten goed bedenken dat Jezus deze woorden sprak in een tijd, waarin velen in grote armoede leefden.
Ook wij vragen zo weleens aan elkaar: wat zullen wij vandaag eten?
Maar dan bedoelen wij dat er zoveel keus is, dat wij niet gemakkelijk kiezen kunnen.
Dat lag in Christus’ dagen zo anders. Voor velen was het leven niet anders dan een voortdurende strijd om het naakte bestaan.
Hoe begrijpelijk wordt dan de uitroep: Wat zullen wij eten!
Toch, zo zegt Christus tot de Zijnen: ‘Al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft’. ‘Maar!’
Hij wil zeggen: laat uw leven toch zó niet zijn! Hoe dan wel?
‘Zoekt eerst het Koninkrijk Gods’. Hier wordt gesproken van het Koninkrijk Gods.
Wat is dat? Elk aards koninkrijk kan men zoeken, hoe ver het ook weg is. Men neemt een atlas, zoekt het land of het koninkrijk op, en waar het ook ligt, een reis kan worden geboekt.
Maar wat en waar is toch het Koninkrijk Gods?
Hoe kan men dat zoeken en vinden? U zult wel weten dat met Gods Koninkrijk in de Schrift niet altijd hetzelfde wordt bedoeld.
Soms betekent het het rijk van Gods almacht.
Zo lezen wij in Psalm 103: ‘Zijn Koninkrijk heerst over alles’. Op andere plaatsen betekent Gods Koninkrijk het rijk van Gods heerlijkheid, de hemel dus.
Zo vroeg de stervende moordenaar, of Jezus hem wilde gedenken, wanneer Hij in Zijn Koninkrijk zou gekomen zijn.
Wanneer Christus hier zegt: ‘Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods’, dan bedoelt Hij niet te zeggen dat wij het rijk van Gods almacht of de hemel zouden moeten zoeken.
Hier ziet ‘Koninkrijk Gods’ op het rijk van Gods genade.
Het is dat geestelijk rijk, dat de Heere door Zijn Geest en Woord opricht in de harten van Zijn kinderen.
Het komt niet met uiterlijk gelaat, maar het is ‘binnen ulieden’, zo sprak Christus eens tot Zijn jongeren.
Dat Koninkrijk heeft een gezalfde Koning: Christus (Ps. 2:6).
Het heeft onderdanen: Gods kinderen. Het heeft een poort: de wedergeboorte (Joh. 3:3).
Het heeft als grondwet de Wet der zeden. Het heeft vijanden: de vorst der duisternis met zijn gehele hellemacht.
Het heeft gezanten: de dienaren van het Goddelijke Woord (2 Kor. 5:20).
‘En Zijn gerechtigheid’. In onze taal kan het woordje ‘Zijn’ zowel op God als op Koninkrijk terugslaan.
Maar de grondtekst leert dat het met God moet verbonden worden: het gaat om Góds gerechtigheid.
Dit woord gerechtigheid wordt vandaag de dag veel misbruikt. Wij laten dat nu maar rusten.
Het betekent hier: een volkomen overeenstemming met Gods heilig recht, zodat dit recht niets meer van ons te eisen heeft.
Deze gerechtigheid voor God wordt in Gods Woord wel vergeleken met een kleed.
Een bruiloftskleed van blinkend wit fijn lijnwaad. O, wil Christus tot Zijn jongeren zeggen: zoekt dát kleed toch in de eerste plaats, zonder als de heidenen te vragen: waarmee zullen wij ons kleden?’
Onze ongerechtigheden maken scheiding tussen de Heere en onze ziel.
Onze erf- en dadelijke zonden doen ons stinken voor Zijn aangezicht.
Onze eigengerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed en walgelijk in Zijn oog.
Maar Christus’ gerechtigheid alleen doet ons genade vinden in Zijn ogen.
‘Zoekt’, zegt Christus. Zoekt dat Koninkrijk, zoekt die gerechtigheid. O, niemand zal die van zichzelf zoeken.
Om recht te zoeken, moeten wij immers eerst missen! Wij missen God niet van nature, Zijn gemeenschap bekoort ons niet, Zijn lieflijk aangezicht is ons niets waard.
Zoekt…! Gods wederbarende genade maakt ons missende en zoekende mensen.
Dan leren wij naar God én naar Zijn volkomen gerechtigheid hongeren en dorsten.
Dan ontvangen wij geen rust voor onze ziel, totdat wij in de wonden van Christus hebben gevonden wat wij hebben gezocht.
Zoekt dat ‘eerst’, zegt Christus. Dat wil zeggen: vóór alle andere dingen, maar ook: in uw jeugd, in de ochtend van uw leven, opdat u niet, als zovelen, bij het ouder worden verkilt en verhardt…
En al die aardse nooddruft en zorgen dan?
‘En al deze dingen zullen u toegeworpen worden’.
Dat wil niet zeggen: in overvloed geschonken, maar het ziet erop dat Gods kinderen wat zij voor dit leven nodig hebben als een toegift van de Heere erbij zullen krijgen.
Wie door genade het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid ‘eerst’ mag leren zoeken, zal ervaren dat de God van dat heerlijk Koninkrijk ook maken zal dat zijn brood zeker zal zijn en zijn water gewis.

Ds. A. Moerkerken, (emerituspredikant te Capelle aan den IJssel)